Het kan niemand zijn ontgaan dat de woningmarkt al jaren oververhit is.
De redenen zijn velerlei. Te weinig aanbod, laagrentende hypothecaire leningen, forse huurprijzen die mensen een extra stimulans geven om voor een eigen koopwoning te gaan en te weinig nieuwbouw (CO2-problematiek). Gevolg is dat er fors wordt overboden om nu eindelijk die langgezochte (eerste) koopwoning te bemachtigen. Na de euforie komen de fiscale gevolgen in beeld. Een hoge WOZ-beschikking gebaseerd op het eigen aankoopcijfer en bijgevolg een hoog eigenwoningforfait. Dat valt een fors aantal mensen tegen en er wordt dan ook in een niet te onderschatten aantal gevallen bezwaar en beroep ingesteld tegen de WOZ-beschikking.
Dragende argumentatie is dat het eigen aankoopcijfer te hoog is, gerelateerd aan de eigen beleving van de aanvaardbare waarde van de woning. Bijkomende argumenten zijn het dicht bij de kleinkinderen willen wonen, de zorgplicht voor hoogbejaarde ouders, goede scholen dichtbij en meer louter subjectieve en persoonlijke afwegingen. De heffingsambtenaren kunnen begrijpelijkerwijs weinig met deze betogen. Het enige harde, objectieve gegeven is de aankoopsom. Men was de meestbiedende koper en dat is de wettelijke toets voor de WOZ-beschikking. Een vergelijking met andere woningen kan onder deze omstandigheden achterwege blijven. Vergelijk HR 29 november 2000, BNB 2001/63, V-N 2001/3.19, r.o. 3.4. Het eigen aankoopcijfer is bij uitstek de waarde in het economische verkeer als bedoeld in art. 17 Wet WOZ, zulks tenzij de partij die zich daarop beroept feiten of omstandigheden stelt en bij betwisting aannemelijk maakt, waaruit volgt dat de koopsom niet die waarde weergeeft. Dat is onder deze omstandigheden de koper (belanghebbende).
En zoals eveneens uitgangspunt van het procesrecht is: wie stelt moet bewijzen en daarmee heeft belanghebbende de moeilijke procespositie. Dat betekent dat belanghebbende nagenoeg altijd aan het kortste eind trekt. Is dat een valide argument om wetgevend in te grijpen? Mijn antwoord is afwijzend. Primair is het karakter van de Wet WOZ objectief, gebaseerd op marktgegevens en los van persoonlijke overwegingen. Dat laatste zou de uitvoeringspraktijk bij de heffingsambtenaar en de rechterlijke macht uitsluitend compliceren, zonder dat daarvan een meerwaarde (zoals betere rechtsbescherming) uitgaat. Hoe weeg je de individuele feiten en omstandigheden die uit de aard der zaak slecht dan wel beperkt toetsbaar zijn? En welke waarde moet dan voor de eigen aankoopsom in de plaats worden gesteld? Hetgeen belanghebbende zelf redelijk acht, zonder enige objectieve onderbouwing? Men mag ervan uitgaan dat wie instemt met een aankoopsom en dus een huis koopt een redelijk denkend en handelend mens is. Gelet op de huidige marktsituatie geldt daarnaast dat het gekochte zijn waarde behoudt.
Dat de markt op korte termijn een drastische wijziging (koersval) laat zien is hoogst twijfelachtig. En dan nog. De aanschaf van een eigen woning is bij uitstek een langetermijninvestering en niet bedoeld om op korte termijn een vermogenswinst te behalen. Kortom, geen reden voor rechterlijk ingrijpen, anders dan maatwerk in een voorkomend geval, dan wel handelen door de wetgever om een andere wettelijke toets aan te leggen.