X biedt vanaf 2021 verblijf aan in vier recreatiewoningen in gemeente Y. De gemeente heft op grond van de Verordening 2021 toeristenbelasting voor verblijf met overnachting tegen vergoeding in welke vorm dan ook. Het college van burgemeester en wethouders bevestigt op 25 mei 2021 dat geen toeristenbelasting wordt geheven van verblijfgevers van arbeidsmigranten. De gemeenteraad stelt in vergaderingen van november en december 2021 vast dat de Verordening 2021 niet correct wordt uitgevoerd. De heffingsambtenaar legt aan X een aanslag 2021 op van € 4681 en een voorlopige aanslag 2022 van € 2413. X maakt bezwaar en beroept zich op het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank vernietigt beide aanslagen. De heffingsambtenaar gaat in hoger beroep.
Hof 's-Hertogenbosch oordeelt dat X met betrekking tot de aanslag 2021 voldoende feiten heeft aangevoerd die het vermoeden van begunstigend beleid rechtvaardigen. De heffingsambtenaar heeft tegenover de overtuigende kracht daarvan geen feiten en omstandigheden aangevoerd ter ontzenuwing. De stelling dat onduidelijk is of verblijf van arbeidsmigranten tegen vergoeding plaatsvindt, baat de heffingsambtenaar niet, nu de Verordening 2021 ziet op vergoeding "in welke vorm dan ook". Ten aanzien van de voorlopige aanslag 2022 voldoet X niet aan haar bewijslast, aangezien vanaf 2022 expliciet toeristenbelasting geheven wordt van verblijfgevers van arbeidsmigranten. Het beroep op de meerderheidsregel slaagt niet, omdat X onvoldoende heeft onderbouwd dat in een meerderheid van vergelijkbare gevallen geen of minder belasting wordt geheven en niet aannemelijk heeft gemaakt dat de heffingsambtenaar daarvan kennis draagt.
Instantie: Hof 's-Hertogenbosch
Rubriek: Belastingen van lagere overheden, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 5 augustus
Informatiesoort: VN Vandaag