X woont sinds februari 2016 in Marokko en is buitenlands belastingplichtig. De inspecteur legt aanslagen IB/PVV en Zvw 2016 op met dagtekening 3 april 2019. Volgens de verzendrapportages biedt de inspecteur de aanslagen op 28 maart 2019 aan de postleverancier aan ter verzending naar het adres van X in Marokko. De verzendrapportages vermelden dat de aanslagen in een gecombineerde partij “aan PostNL en SANDD” ter verzending zijn aangeboden. Uit de SAP-dispositielijsten die als bijlage aan de verzendrapportages zijn gehecht, blijkt dat de gecombineerde partij is opgesplitst in buitenlandse post, 48-uurs binnenlandse post en 72-uurs binnenlandse post. X maakt op 23 januari 2023 bezwaar. De inspecteur verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. In geschil is of de inspecteur aannemelijk maakt aan welk postvervoerbedrijf de aanslagen ter verzending zijn aangeboden en of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat de inspecteur slaagt in zijn bewijslast. Uit de SAP-dispositielijsten blijkt dat de gecombineerde partij documenten is opgesplitst in buitenlandse post, 48-uurs binnenlandse post en 72-uurs binnenlandse post. PostNL is aangewezen als enige verlener van de universele postdienst. Met de toelichting over de overeenkomst tussen de Belastingdienst en PostNL voor 2019 maakt de inspecteur aannemelijk dat de “buitenlandse” aanslagen ter verzending aan PostNL zijn aangeboden. De blote stelling van X dat internationale briefpost niet alleen door PostNL wordt verzorgd, is onvoldoende om anders te oordelen. Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 22J
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.7
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.8
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.11
Instantie: Hof 's-Hertogenbosch
Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 5 augustus
Informatiesoort: VN Vandaag