Rechtbank Den Haag oordeelt dat de verkorting van de looptijd van de 30%-regeling en het beperkte overgangsrecht in het geval van X rechtmatig zijn. X voert geen feiten en omstandigheden aan die tot een ander oordeel leiden.

X ontvangt in 2017 een 30%-beschikking voor zijn tewerkstelling bij PwC met een looptijd van 1 oktober 2016 tot en met 31 augustus 2023. Het Belastingplan 2019 verkort per 1 januari 2019 de looptijd van de 30%-regeling van acht naar vijf jaar, met overgangsrecht tot uiterlijk 31 december 2020. Per 1 september 2021 treedt X in dienst bij Deloitte. X en Deloitte verzoeken om toepassing van de 30%-regeling per 1 september 2021. De inspecteur wijst het verzoek af omdat de einddatum op grond van het overgangsrecht 31 december 2020 is en er geen resterende looptijd meer bestaat. In geschil is of het verzoek om toepassing van de 30%-regeling terecht is afgewezen en of de verkorting van de looptijd en het beperkte overgangsrecht rechtmatig zijn.

Rechtbank Den Haag oordeelt dat de verkorting van de looptijd van de 30%-regeling en het beperkte overgangsrecht rechtmatig zijn, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 13 februari 2026 (V-N 2026/9.13). De Hoge Raad oordeelt dat dit geldt ongeacht de oorspronkelijke looptijd en ongeacht de begin- en einddatum in de beschikking. X voert geen feiten en omstandigheden aan die tot een ander oordeel leiden. Van een individuele en buitensporige last is geen sprake. Het beroep is ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet op de loonbelasting 1964 artikel 31A

Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 artikel 10EA

Instantie: Rechtbank Den Haag

Rubriek: Loonbelasting

Editie: 5 augustus

Informatiesoort: VN Vandaag

5

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen