X woont in Thailand en ontvangt in 2021 als buitenlandse belastingplichtige onder meer een lijfrente-uitkering van € 18.504 van een Nederlandse verzekeringsmaatschappij. X doet aangifte-IB 2021 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 95.912 en claimt aftrek ter voorkoming van dubbele belasting voor de lijfrente-uitkering. De inspecteur wijkt af van de aangifte, stelt het belastbaar inkomen vast op € 118.242 en vermindert de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting. In hoger beroep is in geschil of Nederland mag heffen over de lijfrente-uitkering.
Hof 's-Hertogenbosch oordeelt dat de lijfrente-uitkering ten laste van de winst van de Nederlandse verzekeringsmaatschappij komt, waarmee aan het vereiste van art. 18 lid 2 Verdrag Nederland-Thailand is voldaan. Het woord 'mogen' betekent slechts dat het inkomen niet exclusief aan Nederland is toegedeeld, maar beperkt de Nederlandse heffingsbevoegdheid niet. Dat Thailand in de praktijk geen voorkoming van dubbele belasting verleent, doet hieraan niet af. X' beroepen op het Bvdb 2001 en het vertrouwensbeginsel slagen ook niet. X' hoger beroep is ongegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 7.2
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 2.1
Instantie: Hof 's-Hertogenbosch
Rubriek: Inkomstenbelasting, Internationaal belastingrecht
Editie: 5 augustus
Informatiesoort: VN Vandaag