X BV maakt onderdeel uit van het Italiaanse B-concern. Met ingang van 1 september 2008 wordt A door B S.r.l., de Italiaanse vestiging van het concern, uitgezonden naar Nederland. A kwalificeert op grond van Italiaans en Nederlands nationaal recht als fiscaal inwoner van Italië. De uitzending wordt in verband met de pensionering van A beëindigd per 31 december 2016. Eind 2021 legt de inspecteur LH-naheffingsaanslagen pseudo-eindheffing excessieve vertrekvergoeding 2016, 2018 en 2019 op aan X BV. X BV is het daar niet mee eens en stelt dat de pseudo-eindheffing aan Italië toekomt. X BV knoopt daarbij aan bij het genietingstijdstip van het genoten loon, dat volgens X BV 31 december 2016 is, de laatste dag van de dienstbetrekking van A bij het B-concern. Op dat moment was A woonachtig in Italië en aldaar fiscaal inwoner.
Hof Den Haag oordeelt dat de pseudo-eindheffing over het excessieve deel van de vertrekvergoeding aan Nederland toekomt. Aan de pseudo-eindheffing liggen namelijk daadwerkelijk in de heffing betrokken loonbestanddelen ten grondslag. De pseudo-eindheffing over het excessieve deel van de vertrekvergoeding volgt dan de heffing over de desbetreffende loonbestanddelen, waarvan de heffing aan Nederland is toegewezen. Volgens het hof is daarbij niet van belang dat de vertrekvergoeding wordt beschouwd te zijn toegekend op het tijdstip waarop de dienstbetrekking is geëindigd, A toen in Italië woonde en niet meer in Nederland werkzaam was. Verder verwerpt het hof nog de stelling van X BV dat bij het vaststellen van het toetsloon moet worden uitgegaan van het wereldloon. Ook is geen sprake van een schending van het vrije verkeer van werknemers. Het gelijk is aan de inspecteur.
Wetingang:
Wet op de loonbelasting 1964 artikel 2
Wet op de loonbelasting 1964 artikel 10
Wet op de loonbelasting 1964 artikel 32BB
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie artikel 45