Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat de handel in cryptovaluta door X vanaf 2014 een werkzaamheid in box 1 vormt die normaal vermogensbeheer te boven gaat, maar vernietigt vergrijpboeten wegens een pleitbaar standpunt.

X voert in 2013, 2014 en 2015 transacties uit op platforms voor cryptovaluta. X ontvangt bedragen van verschillende personen, zowel per bank als contant, en houdt hierover een administratie bij. De inspecteur legt navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw op, waarbij hij de ontvangsten en handelsresultaten in box 1 belast als resultaat uit overige werkzaamheden. X stelt dat hij als tussenpersoon fungeert en enkel een commissie van 4% als inkomsten heeft. In geschil is onder andere of alle ontvangsten en resultaten belast zijn in box 1 en de boetes terecht zijn.

Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat de handel in cryptovaluta door X vanaf 2014 een werkzaamheid in box 1 vormt  die normaal vermogensbeheer te boven gaat. De navorderingsaanslagen voor 2014 en 2015 worden verminderd omdat de inspecteur niet slaagt in zijn bewijslast dat ontbrekende transactienummers staan voor uitgevoerde transacties. De correcties met betrekking tot 4% commissie blijven in stand. De vergrijpboetes worden echter vernietigd, omdat X een pleitbaar standpunt heeft ten aanzien van de handelsresultaten en de inspecteur niet overtuigend heeft aangetoond dat X willens en wetens de commissie-inkomsten niet heeft aangegeven. De beroepen zijn gegrond, met uitzondering van het beroep tegen de navorderingsaanslag Zvw 2014.

Lees ook het thema Blockchain, crypto-munten en fiscaliteit.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet inkomstenbelasting 2001 3.90

Wet inkomstenbelasting 2001 3.91

Algemene wet inzake rijksbelastingen 16

Instantie: Rechtbank Noord-Nederland

Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 29 april

Informatiesoort: VN Vandaag

486

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen