X BV vormt een HIR in verband met de boekwinsten die zij realiseert bij de verkoop van onroerende zaken. Voor het boekjaar 2017/2018 vormt zij een HIR van € 167.446 en in de VPB-aangifte 2019 voegt X BV € 546.029 toe. In de VPB-aangifte 2021 laat X BV een bedrag van € 167.446 vrijvallen in de winst en in 2022 een bedrag van € 546.029. Dit omdat kwalificerende herinvesteringen binnen de herinvesteringstermijn zijn uitgebleven. De inspecteur corrigeert de VPB-aangifte 2019. Hij accepteert de toevoeging aan de HIR van € 546.029 niet. Volgens hem maakt X BV niet aannemelijk dat er een herinvesteringsvoornemen is.
Rechtbank Gelderland oordeelt dat de inspecteur de HIR-dotatie terecht niet heeft geaccepteerd bij het opleggen van de VPB-aanslag 2019. X BV maakt niet aannemelijk dat zij op de balansdatum een herinvesteringsvoornemen had. Dat X BV notulen van de directievergadering overlegt waarin is vermeld dat zij voornemens is de boekwinst op de autoshowroom aan te wenden voor investeringen in aan te kopen of te ontwikkelen onroerend goed, is niet voldoende. Dit stuk wordt namelijk niet ondersteund door objectieve gegevens die getuigen van naar buiten toe blijkende gedragingen en handelingen waaruit de op herinvestering gerichte wil kan worden afgeleid. Ook in samenhang met de overgelegde verklaringen is het bewijs onvoldoende, zowel omdat op basis van verklaringen geen naar buiten toe blijkende gedragingen kunnen worden vastgesteld. Daarnaast zijn de verklaringen niet overtuigend genoeg. Het beroep is ongegrond.
Wetingang:
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 8
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.54
Instantie: Rechtbank Gelderland
Rubriek: Vennootschapsbelasting, Inkomstenbelasting
Editie: 24 april
Informatiesoort: VN Vandaag