X BV vormt een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting met Y BV. Aandeelhouder X koopt in 2010 zeven en in 2019 een achtste appartement, gelegen in Dubai. De bouw ligt sinds 2011 stil en investeerders krijgen een aanbod tot terugkoop voor de helft van de aankoopprijs. Bij aanvang van 2020 beschikt X BV over een HIR en voegt zij een aanzienlijke boekwinst uit verkoop van een appartementencomplex daaraan toe. Y BV koopt in 2020 de acht appartementen van X en X BV boekt een groot deel van de HIR daarop af. De inspecteur corrigeert deze afboeking en laat de HIR volledig vrijvallen ten gunste van de winst. In geschil is of X BV de HIR mag afboeken op de aankoop van de appartementen en of de vereiste aangifte VPB 2020 is gedaan.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X BV niet de vereiste aangifte VPB 2020 doet, omdat zij bij de HIR afboeking uitgaat van een te hoge waarde voor de onvoltooide appartementen. Gezien het jarenlang stilleggen van de bouw en het terugkoopaanbod voor de helft van de aankoopprijs kan geen derde die koopprijs betalen. De rechtbank past daarom omkering en verzwaring van de bewijslast toe. De inspecteur maakt een redelijke schatting en kan in redelijkheid stellen dat de appartementen geen bedrijfsmiddel met dezelfde economische functie vormen. X BV toont het tegendeel en een beroep op het vertrouwensbeginsel niet overtuigend aan, zodat de HIR volledig vrijvalt ten gunste van de winst. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en laat de aanslag en de belastingrentebeschikking in stand blijven.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 27E
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.54
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 8
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Vennootschapsbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 24 april
Informatiesoort: VN Vandaag