X doet aangifte IB/PVV 2022 met inkomen uit vroegere dienstbetrekking van € 33.093. X brengt € 4119 aan specifieke zorgkosten en € 5074 aan restant persoonsgebonden aftrek in mindering. De inspecteur legt een voorlopige aanslag conform de aangifte op en verzoekt vervolgens per brief om nadere informatie. X dient een herziene aangifte in met € 7924 aan specifieke zorgkosten. De inspecteur accepteert de aftrekposten niet. In geschil is of X recht heeft op aftrek van specifieke zorgkosten en restant persoonsgebonden aftrek en wie daarvoor de bewijslast draagt.
Hof Den Haag oordeelt dat art. 6.1 en 6.17 Wet IB 2001 vereisen dat X stelt en aannemelijk maakt welke specifieke zorgkosten hij daadwerkelijk en onverzekerd betaalt. Een redelijke bewijslastverdeling legt deze plicht bij X op het moment dat hij aftrek claimt, niet pas na een informatieverzoek. Dat X stelt dat hij de brieven van de inspecteur niet heeft ontvangen, verandert hieraan niets. Omdat X geen enkel bewijs van kosten of restant persoonsgebonden aftrek verstrekt, bevestigt het hof de uitspraak van de rechtbank en laat de aanslag IB/PVV 2022 in stand.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 6.1
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 6.17