De inspecteur nodigt X uit om aangifte IB/PVV/Zvw 2017 te doen, herinnert en maant aan, maar X dient geen aangifte in. De inspecteur legt daarop ambtshalve aanslagen IB/PVV en Zvw met een verzuimboete op. Een bezwaar hiertegen uit 2018 verklaart de inspecteur niet-ontvankelijk, waarna geen beroep volgt. In 2023 zendt de voormalig gemachtigde alsnog een aangifte 2017 in en verzoekt om ambtshalve vermindering, welke de inspecteur weigert. De rechtbank verklaart het beroep tegen deze weigering ongegrond. De rechtbank plaatst haar uitspraak digitaal in het dossier en meldt dit de voormalig gemachtigde. In geschil is of het hoger beroep tijdig is en of overschrijding van de vijfjaarstermijn voor het verzoek om ambtshalve vermindering verschoonbaar is.
Hof 's-Hertogenbosch oordeelt dat de rechtbank haar uitspraak pas bij brief van 24 december 2024 op juiste wijze aan X bekendmaakt. De hogerberoepstermijn vangt die dag aan, zodat het op 30 december 2024 ontvangen hogerberoepschrift tijdig is. Verder oordeelt het hof dat de vijfjaarstermijn voor het verzoek om ambtshalve vermindering 2017 op 31 december 2022 eindigt. Het verzoek van mei 2023 is dus te laat en de persoonlijke omstandigheden van de voormalig gemachtigde maken de overschrijding niet verschoonbaar. De inspecteur wijst het verzoek terecht af. Het hoger beroep is ongegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 9.6
Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 artikel 45AA
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 60
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.11
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.36C
Instantie: Hof 's-Hertogenbosch
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 24 april
Informatiesoort: VN Vandaag