X is eigenaar en bewoner van een eigen woning en financiert deze met een aflossingsvrije hypotheek bij Z NV en met twee doorlopende leningen bij ABN AMRO. X doet aangifte IB/PVV 2016, 2018 en 2020 en trekt bijna € 20.000 aan rente af voor alle leningen. De inspecteur voert in 2022 een derdenonderzoek bij Z NV uit en accepteert in bezwaar € 8485 aan aftrekbare rente per jaar. In hoger beroep is in geschil of de leningen bij Z NV, ABN AMRO en Interbank in 2016, 2018 en 2020 een eigenwoningschuld vormen en of X zich voor de renteaftrek op het vertrouwensbeginsel kan beroepen.
Hof 's-Hertogenbosch oordeelt dat X niet aannemelijk maakt dat de doorlopende ABN AMRO kredieten kwalificeren als eigenwoningschuld. Wel kan X zich beroepen op gewekt vertrouwen. In 2011 kent de inspecteur na bezwaar de renteaftrek voor de ABN AMRO‑leningen toe. Omdat de feiten in 2016 en 2018 niet relevant verschillen en het vertrouwen pas in juni 2020 is opgezegd, is de inspecteur ook voor die jaren daaraan gebonden. Door de leningomzetting in 2020 en het ontbreken van informatie over deze lening kan vanaf dat jaar geen beroep meer worden gedaan op het vertrouwensbeginsel. De inspecteur accepteert voor de in 2006 gesloten aflossingsvrije hypotheek bij Z NV terecht een bedrag van € 8485 aan renteaftrek. Het hoger beroep is gegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.110
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.119A
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.119C
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.119G
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.120
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.147
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 10BIS.9
Instantie: Hof 's-Hertogenbosch
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 23 april
Informatiesoort: VN Vandaag