Rechtbank Den Haag oordeelt dat de inspecteur de renteaftrek terecht beperkt omdat deels geen sprake is van een eigenwoningschuld en de overeengekomen rente bovendien onzakelijk hoog is.

X en haar partner hebben samen een eigen woning. Ter financiering van de woning sluiten zij twee leningsovereenkomsten af. Een van de leningen komen zij overeen met de bv waarvan zij aandeelhouders zijn. In de IB-aangifte 2018 trekt X 31,14% van de betaalde rente af als eigenwoningrente. De inspecteur weigert een deel van de renteaftrek voor de lening bij de eigen bv, omdat slechts deels sprake is van een bestaande eigenwoningschuld. Ook past hij de renteaftrek aan van 9,4% naar 2,75% omdat de rente volgens hem niet zakelijk is. In geschil is de renteaftrek.

Rechtbank Den Haag oordeelt dat de inspecteur de renteaftrek terecht beperkt. Leningsovereenkomst 2 is aangegaan voor onbepaalde tijd en er is geen aflossingsverplichting in opgenomen. Daarmee is boven € 194.000 geen sprake van een eigenwoningschuld. X bewijst niet dat 9,4% een zakelijk rentepercentage is. De rechtbank sluit daarom aan bij het door de inspecteur gehanteerde rentepercentage van 2,75%. X’ beroep is ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet inkomstenbelasting 2001 3.120

Wet inkomstenbelasting 2001 3.119a

Instantie: Rechtbank Den Haag

Rubriek: Inkomstenbelasting

Editie: 4 maart

Informatiesoort: VN Vandaag

437

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen