Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat belanghebbende geen verlies in mindering kan brengen als resultaat uit het ter beschikking stellen van vermogen. De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2016 niet naar een te hoog bedrag opgelegd.

Belanghebbende heeft zich tegenover de bank borg gesteld voor de verplichtingen van twee BV's. De bank verstrekt vervolgens financieringen aan de BV's. De bank heeft op 15 juni de financiering opgezegd en belanghebbende als borg aangesproken. In 2016 wordt vanaf de bankrekening van kantoor een bedrag aan de bank overgemaakt met als omschrijving 'deel afkoopbedrag kantoor'. In geschil is of de aanslag IB/PVV 2016 naar een te hoog bedrag is opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of belanghebbende een verlies in aanmerking kan nemen in verband met de borgstelling tegenover de bank.

Naar het oordeel van Rechtbank Zeeland-West-Brabant maakt de inspecteur aannemelijk dat geen niet van de winst afhankelijke vergoeding kan worden bepaald waartegen een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest eenzelfde borgstelling te aanvaarden, onder overigens dezelfde voorwaarden. Er is derhalve geen sprake van een zakelijke borgstelling. Het beroep is ongegrond.

Lees ook het thema De terbeschikkingstellingsregelingen.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet inkomstenbelasting 2001 3.92

Informatiesoort: VN Vandaag

Rubriek: Inkomstenbelasting

Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Editie: 15 juli

6

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen