De Hoge Raad oordeelt dat de BTW-naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat het terrein als geheel als onbebouwde grond moet worden aangemerkt.

X bv koopt in 2002 een perceel grond met een oude snoepfabriek. Nadat de fabriek is gesloopt, blijft op het perceel nog een muur achter. Op een deel van het perceel laat X bv nieuwbouw oprichten. Het overige deel van het perceel met de muur verkoopt X bv in 2016 zonder BTW door aan een derde. Hof Den Haag oordeelt dat de levering is vrijgesteld omdat X geen bouwterrein heeft geleverd. Door de aanwezigheid van de muur is geen sprake van onbebouwde grond. De Staatssecretaris van Financiën gaat in cassatie.

De Hoge Raad oordeelt dat de BTW-naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat het terrein als geheel als onbebouwde grond moet worden aangemerkt. Aangenomen wordt dat X bv destijds sloopwerkzaamheden heeft verricht met het oog op de bebouwing van het terrein. De omvang van de muur ten opzichte van de omvang van het totale terrein is verwaarloosbaar. Daaraan doet niet af dat de muur nog als grondkering dienstbaar is aan dat terrein. Het beroep van de Staatssecretaris is gegrond. De verzuimboete is terecht door het hof vernietigd. Wegens het overschrijden van de redelijke termijn krijgt X bv een immateriële schadevergoeding van in totaal € 2000 (tweemaal € 1000 voor zowel de aanslag als de boete).

Lees ook het thema De levering van een bouwterrein: btw of overdrachtsbelasting?

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Algemene wet bestuursrecht 8:73

Wet op de omzetbelasting 1968 11

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Omzetbelasting

Editie: 12 februari

Informatiesoort: VN Vandaag

892

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen