X is in de jaren 2017-2019 werkzaam als financial controller bij een gemeente. Op 1 januari 2019 neemt hij de lunchroom over van zijn vader. Volgens de inspecteur ontvangt X in de jaren 2017, 2018 en 2019 een deel van de omzet van de lunchroom op zijn privébankrekeningen. De inspecteur legt aan X (navorderings)aanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019 op, inclusief vergrijpboetes. In de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 corrigeert de inspecteur de fiscale oudedagsreserve, zelfstandigenaftrek en startersaftrek, omdat niet wordt voldaan aan het urencriterium. Rechtbank Den Haag oordeelt dat de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2017-2019 en de daarbij opgelegde vergrijpboetes terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. De vergrijpboetes worden wel gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn. X gaat in hoger beroep.
Hof Den Haag (V-N 2025/12.1.8) oordeelt dat de inspecteur bij het opleggen van de vergrijpboete 2019 is uitgegaan van een onjuiste boetegrondslag. De boetegrondslag moet worden verminderd met het bedrag van de correctie van de ondernemersfaciliteiten, waarbij rekening dient te worden gehouden met het daaraan toerekenbare deel van de MKB-winstvrijstelling. Het hof verwerpt het standpunt van X dat de inkomsten uit feesten en partijen aan zijn vader toebehoorden en dat sprake zou zijn van dubbele belastingheffing en bevestigt voor het overige de uitspraak van de rechtbank. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO).
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 16
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 67D
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 67E
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 6 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag