De Hoge Raad beslist dat X bv het verzoek om teruggaaf van omzetbelasting over een oninbare huurschuld niet op tijd heeft gedaan. Het verzoek had gedaan moeten worden op het moment dat vaststond dat de vorderingen niet zouden worden voldaan.

Belanghebbende, X bv, verhuurde een onroerende zaak. De daarbij in rekening gebrachte omzetbelasting voldoet zij op aangifte. De huurder heeft vanaf het tweede kwartaal van het jaar 2010 geen huur meer betaald. X bv is op 24 april 2014 failliet verklaard en de huurder op 3 november 2014. Op 5 mei 2014 dient de curator namens X bv een verzoek in om teruggaaf van omzetbelasting als bedoeld in art.29 Wet OB 1968. Het betreft de omzetbelasting die X bv in rekening heeft gebracht in de periode waarin zij geen huur heeft ontvangen. De inspecteur wijst het verzoek af. In hoger beroep beslist het hof dat X bv het verzoek om teruggaaf van omzetbelasting over de oninbare huurschuld te laat heeft ingediend. Volgens het hof heeft X bv haar beoordelingsvrijheid overschreden. Ruim vóór het jaar 2014 stond vast dat de vorderingen niet zouden worden betaald. X bv komt in cassatie.

Volgens de Hoge Raad heeft X bv het verzoek om teruggaaf van omzetbelasting te laat gedaan. Het middel dat betoogt dat zo’n verzoek steeds op tijd is als de ondernemer/crediteur nog in rechte betaling van de vergoeding kan vorderen, faalt. Wanneer de ondernemer/crediteur al in een eerder tijdvak betaling in redelijkheid niet langer kan verwachten, kan hij dit verzoek namelijk niet meer doen bij de aangifte over een later tijdvak. Al in het jaar 2012 bleek dat de reeds vervallen en ook de toekomstige huurtermijnen niet zouden worden betaald. Het cassatieberoep is ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet op de omzetbelasting 1968 31

Wet op de omzetbelasting 1968 29

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Omzetbelasting

Editie: 11 juni

Informatiesoort: VN Vandaag

  1493
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen