Hof Den Haag beslist dat X geen recht heeft op aftrek van scholingsuitgaven vanwege het volgen van een opleiding aan een universiteit in de VS door zijn echtgenote.

De echtgenote van belanghebbende, X, heeft in de periode van 2011 tot en met 2017 een post-doctorale opleiding aan de (E) University in de Verenigde Staten gevolgd. X claimt daarvoor in zijn aangifte ib/pvv 2014 een aftrek van € 15.000 aan scholingsuitgaven. De inspecteur verleent de aftrek niet. In geschil is of dit terecht is.

Volgens Hof Den Haag maakt X niet aannemelijk dat zijn echtgenote in het belastingjaar 2014 in redelijkheid kon verwachten dat zij met het volgen van de studie de door haar geambieerde functie zou kunnen gaan uitoefenen. Ook maakt X niet aannemelijk dat de aan zijn echtgenote in het jaar 2014 in rekening gebrachte studiekosten uitgaven betreffen die in art. 6.27 lid 1 Wet IB 2001 limitatief worden genoemd. Voorts is van schending van het vertrouwensbeginsel geen sprake. Dat de inspecteur de aftrek van scholingsuitgaven voor de jaren 2015 en 2016 wel heeft toegestaan, leidt er niet toe dat X erop mocht vertrouwen dat de inspecteur de aftrek ook voor het jaar 2014 zou toestaan. De aangiften voor die jaren zijn namelijk geautomatiseerd afgedaan. X heeft geen recht op aftrek van scholingsuitgaven.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet inkomstenbelasting 2001 6.27

Wet inkomstenbelasting 2001 6.1

Instantie: Hof Den Haag

Rubriek: Inkomstenbelasting

Editie: 11 juni

Informatiesoort: VN Vandaag

  255
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen