Een verzoek om terug te komen van een definitief geworden boetebesluit moet op dezelfde wijze worden beoordeeld als een verzoek om terug te komen van een ander besluit. Dat heeft de Centrale Raad van Beroep vandaag beslist.

Het UWV had aan belanghebbende een bestuurlijke boete opgelegd van € 3.571,03 voor het niet doorgeven van inkomsten. Het UWV heeft het bezwaar van de belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift te laat was ingediend. Het boetebesluit was daarmee definitief geworden.

Daarna heeft de belanghebbende het UWV verzocht om terug te komen van dit besluit vanwege zijn persoonlijke en sociale situatie en de uitzonderlijke belasting die de betaling van de boete meebrengt. Het UWV heeft dit verzoek afgewezen.

Het 'evident-onredelijk'-criterium

Als een bestuursorgaan zoals het UWV een verzoek om heroverweging van een definitief geworden besluit afwijst, beoordeelt de bestuursrechter of deze afwijzing evident onredelijk is. De Centrale Raad van Beroep heeft nu beslist dat dit “evident-onredelijk"-criterium ook geldt voor boetebesluiten.

Het vasthouden aan een definitief besluit dat onmiskenbaar onjuist is, is evident onredelijk. Om de onmiskenbare onjuistheid van een definitief geworden besluit te kunnen vaststellen moet een oppervlakkige inhoudelijke beoordeling of een summier onderzoek voldoende zijn. Daarbij kan onder meer een rol spelen dat het bestuursorgaan de onjuistheid van de eerdere besluitvorming uitdrukkelijk heeft erkend.

Verlaging boete

In dit geval heeft het UWV uitdrukkelijk erkend dat het oorspronkelijke boetebesluit onjuist was, omdat de boete te hoog was vastgesteld in verhouding tot de draagkracht. Daarnaast heeft het UWV erkend dat de gezondheidssituatie en de persoonlijke situatie van betrokkene tot een ander besluit zouden hebben geleid als dit eerder bekend was geweest.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt daarom dat het oorspronkelijk boetebesluit onmiskenbaar onjuist is. De weigering van het UWV om dit besluit te herzien is daarmee evident onredelijk. De Centrale Raad van Beroep stelt de boete lager vast op € 714,21.

Deze uitspraak is gepubliceerd onder nummer ECLI:NL:CRVB:2023:1363. Voorafgaand aan de uitspraak heeft de Centrale Raad van Beroep een conclusie gevraagd aan een raadsheer advocaat-generaal. Deze geeft een onafhankelijk advies waar de Centrale Raad van Beroep niet aan is gebonden Het advies is hier te lezen: ECLI:NL:CRVB:2022:2623.

Bron: CRvB

Informatiesoort: Nieuws

Rubriek: Toeslagen en zorgverzekeringswet, Fiscaal bestuurs(proces)recht, Sociale zekerheid arbeidsongeschiktheid

78

Gerelateerde artikelen