Bijna geruisloos wordt het wetsvoorstel Amicus Curiae en kruisbenoemingen ingevoerd (35550). Hiermee wordt het mogelijk dat de hoogste bestuursrechters derden in de gelegenheid kunnen stellen om opmerkingen te maken in een lopende procedure. Dat geldt dus ook voor de belastingkamer van de Hoge Raad.

Bij bestudering van dit wetsvoorstel stuit ik op de voorgestelde wijziging van artikel 29c, lid 1 van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (AWR). Ik lees deze gewijzigde bepaling zo dat iedereen die cassatie instelt bij de belastingkamer straks een pleidooi bij de Hoge Raad kan voeren. Nu is dat nog voorbehouden aan advocaten. In de toelichting blijkt nergens dat deze wijziging de bedoeling van dit wetsvoorstel is waardoor dit een fout in de voorgestelde wettekst lijkt te zijn.

De huidige tekst van artikel 29c, lid 1 en lid 2, AWR luidt:

"1. Indien, hetzij in het beroepschrift hetzij in het verweerschrift hetzij nadien door degene die beroep in cassatie heeft ingesteld, binnen twee weken nadat het verweerschrift is verzonden, schriftelijk is verzocht de zaak mondeling te mogen toelichten, bepaalt de Hoge Raad dag en uur waarop de zaak door de advocaten van partijen zal kunnen worden bepleit. De griffier stelt beide partijen of de door hen aangewezen advocaten hiervan ten minste tien dagen tevoren in kennis.
2. De advocaten kunnen in plaats van de zaak mondeling bij pleidooi toe te lichten een schriftelijke toelichting overleggen of toezenden."

In het wetsvoorstel staat dat artikel 29c AWR als volgt wordt gewijzigd:

"1. In het eerste lid, eerste zin, wordt «bepaalt de Hoge Raad dag en uur waarop de zaak door de advocaten van partijen zal kunnen worden bepleit» vervangen door «dan wel de Hoge Raad een onderzoek ter zitting geraden acht, bepaalt de Hoge Raad het tijdstip van de zitting»."

De bepaling dat de zaak door advocaten van partijen zal kunnen worden bepleit, wordt aldus vervangen. In de nieuwe tekst komt niet meer terug dat de zaak alleen door advocaten kan worden bepleit. Het tweede lid wordt niet gewijzigd maar daaruit blijkt niet dat alleen een advocaat een zaak bij de belastingkamer van de Hoge Raad mag bepleiten.

Memorie van toelichting

In de memorie van toelichting wordt geen enkele opmerking gemaakt over het feit dat nu alleen door advocaten bij de Hoge Raad kan worden gepleit en dat het de bedoeling is dit te wijzigen. De aanleiding voor de wijziging van artikel 29c AWR is het advies van de Hoge Raad om in artikel 29 AWR enkele bepalingen over de zitting die in hoofdstuk 8 van de Awb zijn opgenomen van overeenkomstige toepassing te verklaren.

Omdat voor een aantal bepalingen niet duidelijk was waarom die niet van overeenkomstige toepassing zijn verklaard en met invoering van het wetsvoorstel ook zittingen kunnen worden gehouden om de opmerkingen van de amicus curiae te bepreken, is voorgesteld artikel 29 AWR te wijzigen.

De wetgever heeft echter ook een wijziging voorgesteld van artikel 29c AWR. Deze bepaling ziet op de mogelijkheid voor een advocaat om op zijn verzoek een zaak mondeling dan wel schriftelijk te bepleiten. Dat is de mondelinge of schriftelijke toelichting in een ‘normale’ cassatieprocedure en dus mijns inziens niet de zitting die in het advies van de Hoge Raad is bedoeld waarin feitenonderzoek kan worden gedaan of opmerkingen van derden kunnen worden besproken.

In de memorie van toelichting wordt na de opmerking over het van overeenkomstige toepassing verklaren van de Awb opgemerkt:

"In het verlengde hiervan wordt voorgesteld om in artikel 29c, eerste lid, Awr uitdrukkelijk te voorzien in de mogelijkheid dat de Hoge Raad zelf het initiatief kan nemen voor een zitting. De in hoofdstuk 8 Awb gebezigde term «zitting» wordt in verband daarmee zowel in het eerste lid als in het vierde lid van artikel 29c Awr doorgevoerd."

Daar gaat het denk ik fout. De zitting om input van derden te bespreken op verzoek van de Hoge Raad in daarvoor aangewezen procedures, wordt verward met het mondeling dan wel schriftelijke pleidooi op verzoek van de partijen.

Alternatief voorstel

Met het wetsvoorstel is bedoeld het wettelijk mogelijk te maken dat de amicus curiae ook bij de Hoge Raad als hoogste bestuursrechter ter zitting een toelichting kan geven op zijn eerder ingediende opmerkingen en vragen daarover kan beantwoorden. Dit zal altijd plaatsvinden op initiatief van de Hoge Raad omdat de Hoge Raad bepaalt in welke zaken derden om input wordt gevraagd.

De bevoegdheid van de Hoge Raad om zelf het initiatief te nemen voor een zitting zal dus in de AWR moeten worden verankerd. Dit kan mijns inziens beter in een nieuw artikel dan in artikel 29c AWR. Artikel 29c AWR is immers bedoeld als extra proceshandeling op verzoek van een partij die alleen door een advocaat kan worden verricht.

Uit het wetsvoorstel leid ik niet af dat partijen zich in een zitting waarin derden opmerkingen kunnen geven door een advocaat moeten laten vertegenwoordigen. Helemaal duidelijk is dat niet. De amicus curiae-regeling sluit zoals blijkt uit de memorie van toelichting aan bij de procedure bij de Hoge Raad als door feitenrechters op grond van artikel 27ga AWR prejudiciële vragen aan de Hoge Raad worden gesteld. De tekst van een nieuw wetsartikel kan dan het beste aansluiten bij de tekst van artikel 27gc AWR waarin is bepaald dat de Hoge Raad in de prejudiciële procedure ambtshalve een termijn voor een mondelinge behandeling kan bepalen.

Conclusie

De voorgestelde tekst van artikel 29c AWR lijkt verder te gaan dan is bedoeld. De discussie of de mogelijkheid van een mondeling dan wel schriftelijk pleidooi beperkt moet blijven tot advocaten of moet worden uitgebreid naar andere professionals of zelfs belastingplichtigen zelf is naar aanleiding van een wetsvoorstel in 1995 gevoerd. Toen is ervan afgezien om de groep van pleitgerechtigden uit te breiden mede omdat moet worden voorkomen dat door personen die weinig ervaring hebben met de bijzonderheden en beperkingen van de cassatieprocedure bij de Hoge Raad wordt gepleit.

Ik kan mij niet voorstellen dat dit nu zonder enige onderbouwing wel wordt aangepast. Het wetsvoorstel is op 13 oktober 2020 als hamerstuk aangenomen en is gepubliceerd in Stb. 2020, 416. Het treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Het wetsvoorstel kan dus niet meer worden aangepast of dit op een andere wijze kan worden verduidelijkt, is nog maar de vraag.

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Informatiesoort: Column

  653
Gerelateerde artikelen