Door de ophef over de voorgestelde inkomensafhankelijke zorgpremie staat de hypotheekrenteaftrek wat minder in de spotlights maar de aandacht daarvoor zal naar verwachting wel weer aanzwellen, zeker nu het voorstel de zorgpremie inkomensafhankelijk te maken wordt geschrapt.

Er wordt vanaf 1 januari 2013 onderscheid gemaakt tussen bestaande hypothecaire leningen en zogenoemde nieuwe hypothecaire leningen.

Kort gezegd komt het er op neer dat bestaande leningen worden geëerbiedigd en de rente op nieuwe leningen alleen voor aftrek in aanmerking komen als er door de hypotheekgever ook daadwerkelijk wordt afgelost. De annuïteitenlening kan dus weer worden afgestoft.

De positie van de bestaande huizenbezitters wordt geëerbiedigd tot 1 januari 2044. Indien deze groep ook direct zou moeten gaan aflossen om renteaftrek te behouden, worden ze volgens de staatssecretaris geconfronteerd met een te omvangrijke stijging van de financiële lasten en verder dalende huizenprijzen.

Een positie waar ook de toekomstige huizenbezitter mee wordt geconfronteerd, maar volgens de staatssecretaris kunnen zij daar op in spelen. De bestaande huizenbezitters kunnen dat volgens de staatssecretaris niet.

Afgevraagd wordt wel of wetswijziging geen discriminatie oplevert? Worden gelijke gevallen niet ongelijk behandeld?

De staatssecretaris van Financiën voorziet op dat punt geen enkel probleem. Van gelijke gevallen kan zijn inziens geen sprake zijn, omdat de zogenoemde nieuwe leningen op een later tijdstip namelijk na 1 januari 2013 zijn afgesloten.

Ik vraag mij af of het enkele tijdsverloop voldoende is om de leningen als een ander geval te kwalificeren, maar de vraag is of dat voor de beoordeling of sprake is van discriminatie wel zo relevant is?

De Hoge Raad oordeelde onder meer in zijn uitspraak van 18 december 2009, LJN BC2610 dat de Verdragen waaraan wordt getoetst niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbiedt. Alleen als voor die ongelijke behandeling een objectieve en redelijke rechtvaardiging ontbreekt, is sprake van discriminatie.

De wetgever heeft daarbij een ruime marge, hetgeen gelet op de scheiding der machten begrijpelijk is. Uit de jurisprudentie leid ik af dat wanneer de wetgever er behoorlijk over heeft nagedacht, de rechter zich uiterst terughoudend opstelt. Dat geldt ook als sprake is van politieke keuzes, met wellicht maatschappelijk ongewenste effecten en/of keuzes. De kansen voor de toekomstige huizenbezitters lijken dan ook niet groot.

Informatiesoort: Column

Rubriek: Bronbelasting, Inkomstenbelasting

Dossiers: Prinsjesdag 2012

12

Gerelateerde artikelen