De Kennisgroep Onroerende Zaken heeft een toelichting op art. 3.111 lid 5 Wet IB 2001 gegeven naar aanleiding van de vraag of deze bepaling ook van toepassing is als tijdens de opname in een zorginstelling een ander in de woning verblijft.
Het gaat om het standpunt van de Kennisgroep Onroerende Zaken van de Belastingdienst 6 mei 2026, KG:051:2026:1. In art. 3.111 lid 5 Wet IB 2001 is een regeling opgenomen voor de situatie waarbij een woning niet meer het hoofdverblijf vormt omdat de bewoner is opgenomen in een verpleeg- of verzorgingshuis. Gedurende een periode van maximaal twee jaar wordt de woning dan nog als hoofdverblijf aangemerkt en daarmee als eigen woning in de zin van art. 3.111 Wet IB 2001.
De kennisgroep geeft aan dat art. 3.111 lid 5 Wet IB 2001 een verbijzondering is van art. 3.111 lid 1 Wet IB 2001. De voorwaarde dat de woning de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden anders dan tijdelijk ter beschikking moet staan geldt dan ook onverkort. Dit betekent dat de genoemde personen op elk
gewenst moment de woning weer moeten kunnen betrekken. Als zij dat niet kunnen doordat de woning ter beschikking wordt gesteld aan derden is geen sprake meer van een eigen woning.
Belang voor de praktijk
De beoordeling blijft sterk afhankelijke van de individuele feiten en omstandigheden. Niet de aanwezigheid van een bewoner is doorslaggevend, maar de mate waarin de belastingplichtige de woning nog kan gebruiken. Bij de beoordeling kan het volgende overzicht behulpzaam zijn.
| Wel eigen woning | Geen eigen woning |
| De woning kan nog vrij worden gebruikt | Verhuur woning aan derden |
| De voormalig bewoner kan op elk moment terugkeren naar de woning |
Woning is niet meer vrij te betrekken |
| Partner of gezinslid blijft in woning wonen |
Bron: Legal & Tax Nationale Nederlanden
Informatiesoort: Nieuws
Rubriek: Inkomstenbelasting