Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens oordeelt dat de Italiaanse hoofdelijke aansprakelijkheid bij ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in strijd is met het EVRM. Er is sprake van een schending van het recht op eigendom en het legaliteitsbeginsel.

Petrignani (een accountant), Carbone (een aannemer) en Curci (een belastingadviseur) worden in Italië veroordeeld voor economische delicten die gezamenlijk met anderen zijn gepleegd. Zij worden vervolgens ieder hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de opbrengst van het gehele misdrijf. Petrignani, Carbone en Curci zijn het hier niet mee eens. Volgens hen is er sprake van schending van art. 7 EVRM omdat geen rekening wordt gehouden met ieders werkelijke aandeel in het wederrechtelijk verkregen voordeel. Zij zijn van mening dat de verbeurdverklaring van de volledige opbrengst disproportioneel en onvoorzienbaar is.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens oordeelt dat de Italiaanse hoofdelijke aansprakelijkheid bij ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in strijd is met het EVRM. Toepassing van de Italiaanse wetgeving en rechtspraak leveren een schending op van het recht op eigendom en het legaliteitsbeginsel. Volgens het EHRM kan Italië niet zomaar de totale waarde van het misdrijf op één individuele co-dader verhalen zonder diens werkelijke betrokkenheid, persoonlijke aandeel in de winst en mate van schuld goed te beoordelen. Het EHRM wijst er vervolgens op dat de Italiaanse rechter moet onderzoeken of te hoge bedragen zijn ontnomen. Wel worden bedragen van € 2000 tot € 10.000 aan immateriële schadevergoeding toegekend aan Petrignani, Carbone en Curci.

Wetingang:

Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden artikel 7

Rubriek: Europees belastingrecht, Internationaal belastingrecht, Strafrecht

Editie: 11 juni

Informatiesoort: VN Vandaag

13

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen