Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat het verzoek om kwijtschelding van de aan X opgelegde conserverende aanslagen terecht is afgewezen. De rechtbank verwerpt het beroep van X op het rechtszekerheidsbeginsel.

X houdt alle aandelen in A BV, dat deelnemingen bezit in franchiserestaurants. In verband met de emigratie van X naar Bulgarije wordt een conserverende IB-aanslag opgelegd aan X. Vervolgens wordt ook nog, op verzoek van X, een conserverende IB-navorderingsaanslag opgelegd. De ontvanger wijst het verzoek om kwijtschelding voor het deel van de conserverende (navorderings)aanslag dat ziet op ab-inkomen af. Het verzoek wordt wel gehonoreerd voor zover het het deel betreft met betrekking tot het pensioendeel en de revisierente.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat het verzoek om kwijtschelding van de aan X opgelegde conserverende aanslagen terecht is afgewezen. De rechtbank verwerpt het beroep van X op het rechtszekerheidsbeginsel. De rechtbank overweegt daarbij dat de wetsbepalingen omtrent de kwijtschelding van conserverende aanslagen per 15 september 2015 met terugwerkende kracht zijn veranderd en dat het de rechter niet is toegestaan om een wet in formele zin te toetsen aan algemene rechtsbeginselen. De rechtbank verwerpt verder ook het beroep van X op art. 1 EP EVRM. Volgens de rechtbank is het namelijk niet van redelijke grond ontbloot om de kwijtscheldingsregeling (met terugwerkende kracht) af te schaffen. Het beroep van X op het vertrouwensbeginsel treft hetzelfde lot. Het gelijk is aan de inspecteur.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Invorderingswet 1990 artikel 25

Invorderingswet 1990 artikel 26

Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden artikel 1

Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Rubriek: Internationaal belastingrecht, Invordering, Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 11 juni

Informatiesoort: VN Vandaag

28

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen