In de Nota naar aanleiding van het tweede verslag van het voorstel van de Wet werkelijk rendement box 3 (WWR), TK 36.748, nr. H, herhaalt het kabinet dat de vermogensaanwasbelasting in de WWR tijdelijk zal zijn. Je leest er: “Het kabinet heeft in het coalitieakkoord afgesproken om het stelsel zo snel mogelijk door te ontwikkelen tot een volledige vermogenswinstbelasting. Het kabinet ervaart brede maatschappelijke en politieke steun voor deze doorontwikkeling, zoals ook door de Tweede Kamer benadrukt met de moties van de leden Inge van Dijk c.s. en Vermeer. Het kabinet ziet het voorliggende wetsvoorstel met vermogensaanwasbelasting dus als tussenstap voor de korte termijn.” Zodra alles goed in beeld is gebracht, brengt het kabinet een kamerbrief uit met “een concrete en ambitieuze planning voor de wetgeving en implementatie”. De race lijkt gelopen, ook al stevent het kabinet daarmee af op een rampscenario.

Kenmerk van een vermogensaanwasbelasting (VAB) is dat de belastingplichtige elk jaar belasting betaalt over de waardeontwikkeling van zijn vermogensbestanddelen. Bij een vermogenswinstbelasting (VWB) betaalt hij die belasting pas op een later moment, namelijk op het moment dat de belastingplichtige een vermogensbestanddeel vervreemdt, ofwel bij realisatie van de waardeontwikkeling sinds de verkrijging van het vermogensbestanddeel.

‘Papieren winst’ is een zuivere vorm van framing

Het argument dat voorstanders van de VWB hanteren, is dat bij de VAB ‘papieren winsten’ worden belast. Wat een onzin. Het is een schoolvoorbeeld van framing: aanhangers van de VWB beïnvloeden hiermee mensen, en vooral de manier waarop zij over de VAB denken. De woorden ‘papieren winsten’ worden vaak gebruikt in de context van beursgenoteerde aandelen. Als men op 1 januari van jaar n aandelen met een waarde van 100 heeft en de koers van die aandelen in dat jaar n met 10% gestegen is, praat men over een ‘papieren winst’ van 10 in jaar n.

Niets is echter minder waar. Het vermogen van de bezitter van die aandelen is daadwerkelijk met 10 gestegen. Niet op papier, maar in werkelijkheid. Hartstikke zichtbaar op het effectenoverzicht op 31 december van jaar n. Dat hij die 10 (nog) niet heeft gecasht, staat daar los van. Hij had simpel op een knop kunnen drukken waardoor hij die 10 waardestijging van zijn effectenportefeuille wel had kunnen realiseren en overboeken naar zijn privébankrekening. Niets is zo makkelijk te kopen of te verkopen als beursgenoteerde effecten. Als ik mijn beleggingsadviseur vandaag opdracht geef om wat aandeeltjes te verkopen, staat de opbrengst daarvan binnen drie dagen op mijn lopende rekening. Of je iets in de fiscale zin hebt genoten of niet, mag niet afhangen van het wel of niet drukken op de knop van een app. De waardestijging van je effectenportefeuille is een keiharde draagkrachtvergroting, die belastingheffing rechtvaardigt. Een VAB behandelt renten en dividenden op dezelfde wijze als waardeontwikkelingen van effecten door het inhouden van die renten en dividenden.

Een argument vóór de VWB is dat je misschien effecten moet verkopen als de aanslag over de vermogensaanwas binnenvalt, terwijl de koersen tegen die tijd kunnen zijn gedaald. Ook dat is geen valide argument. Je weet bij wijze van spreken op 1 januari van jaar n+1 wat de waardeaanwas van die aandelen in jaar n was. En als je er dan voor kiest om niets te verkopen, wetende dat die belastingschuld eraan komt, is dat niets meer en niets minder dan beleggen met geleend geld. Geld dat je hebt geleend van de fiscus. Je had ook wat aandeeltjes kunnen verkopen om daarmee je box 3-heffing later te betalen. Voor zover er zelfs al geen voorlopige aanslagen over jaar n zijn opgelegd. Ofwel, daar waar bij onder andere onroerende zaken of werknemersparticipaties een VAB kan leiden tot liquiditeitsproblemen door het tussentijds moeten betalen van belasting over de waardeaanwas, want dan gaat het vaak om langetermijnbeleggingen die tussentijds niet of nauwelijks liquide te maken zijn, daar is met name bij beursgenoteerde aandelen geen sprake van.

Een laatste veelgehoord argument is dat het zomaar kan zijn dat in jaar n+1 de koersen weer dalen. Terwijl je dan geen belastinggeld terugkrijgt. Dan heb je over jaar n belasting betaald, terwijl je over jaar n+1 geen geld terugkrijgt. Dat wordt veroorzaakt door het ontbreken van een fatsoenlijke carry back. Het is inderdaad niet correct dat je wel moet betalen over positieve vermogensaanwas en je geen geld terugkrijgt bij een negatieve vermogensaanwas. Het probleem is dan niet zozeer het VAB-stelsel, maar het gebrek aan verliescompensatiemogelijkheden in box 3. Een carry back van één jaar is het absolute minimum, een carry back van drie jaar heeft de voorkeur. Daarnaast zal men in de praktijk vaak zien dat er ook positieve andere inkomsten in box 3 zijn, hetzij reguliere voordelen (rente, dividend, huur, e.d.), hetzij waardemutaties over andere bezittingen.

Uitnodiging tot oneigenlijk gebruik

Bij beleggingen kent men direct rendement uit vermogensbestanddelen (zoals rente, dividend, huur, pacht en winstuitkeringen) en indirect rendement (positieve en negatieve waardemutaties). Fiscalisten praten dan vaak over de vruchten uit de bron en de bron zelf. Daarbij hoort vaak de associatie dat je wel belasting mag heffen over de vruchten uit de bron, maar niet over de bron zelf.

Dat is op zich dogmatisch een correcte gedachte, alleen voor liquide vermogensbestanddelen vormen bron en vruchten één geheel. Het nodigt zo uit tot oneigenlijk gebruik. Simpelweg door te kiezen voor een boom die geen vruchten draagt, maar daardoor zelf steeds dikker wordt. Oudere belastingadviseurs krijgen spontaan een déjà vu, een flashback naar de jaren voor 2001. Een destijds erg populair fiscaal trucje om je klanten blij te maken: Verkoop je aandelen in beursgenoteerde fondsen die dividend uitkeren en koop daarvoor terug aandelen in ETF’jes die in dezelfde fondsen beleggen, maar geen dividend uitkeren. Het dividend dat zo’n ETF uitkeert, herbeleggen ze in nieuwe aandeeltjes in dezelfde beursgenoteerde fondsen. Zo realiseer je geen regulier voordeel (je ontvangt immers niet langer jaarlijks een dividend) maar je kat dat om naar een vermogensaanwas. De heffing daarover vindt pas plaats in sint-juttemis, het jaar waarin je die ETF’s verkoopt. Dividenduitkerende fondsen zullen in box 3 massaal worden omgezet in winstinhoudende fondsen, zo nodig via een ETF.

Dat oneigenlijk gebruik gaat nog verder. Heb je een spaarrekening van € 1 mln met een jaarlijkse rente van 3%, dan kun je beter die spaarrekening opzeggen en daarvoor een zerobond met een vergelijkbaar rendement terugkopen. Een zerobond koop je onder pari en groeit langzaam naar de nominale waarde bij de aflossing. Met als gevolg geen jaarlijkse heffing over € 30.000 maar pas box 3-heffing als je de zerobond aflost. Het is de Belastingdienst zelf die recent in een kennisgroepstandpunt heeft aangegeven dat bij een zerobond het werkelijke rendement enkel bestaat uit vermogensaanwas. Hoewel het verschil tussen de uitgifteprijs en de nominale waarde van de zerobond kan worden vergeleken met rente die pas aan het einde van de looptijd wordt uitbetaald, is feitelijk geen sprake van rente. Daarmee is ook geen sprake van een regulier voordeel, maar van een vermogensaanwas die bij een VWB pas op het einde van de rit wordt belast.

Een VWB leidt tot uitholling van de belastinggrondslag in de vorm van reguliere rendementen ten gunste van vermogensaanwas, een logisch te verwachten gedragsreactie van beleggers. Je kunt dat die belegger niet kwalijk nemen. Als men belastingheffing over zijn ‘inkomsten’ jarenlang kan uitstellen, kan men ook op die jarenlang uitgestelde belastingheffing rendement realiseren. Dat rendement zou  anders via de VAB of onder de VWB als reguliere rendementen zijn wegbelast.

Nog bonter wordt de VWB voor beleggers met geleend geld: je leent geld van bijvoorbeeld je bank of eigen bv en koopt daarmee groeifondsen aan. Dan krijg je elk jaar belastinggeld terug vanwege de betaalde rente die je elk jaar mag aftrekken, terwijl de heffing over de vermogensaanwas van de fondsen pas na vele jaren plaatsvindt. Een walhalla voor opportunisten.

Beursgenoteerde aandelen zíjn liquide middelen

Tussen een spaarrekening en een effectenrekening bestaat geen verschil. Althans, geen verschil dat vanuit fiscaal perspectief een heffing volgens de VWB in plaats van de VAB rechtvaardigt. Zoals een spaarrekening rente geeft, rente die je op elk willekeurig moment kunt opnemen, geeft een effectenrekening dividend en een koersmutatie, die je ook op elk willekeurig moment kunt opnemen.

Waarom is het niet gewenst dat een belegger in beursgenoteerde aandelen geld van zijn effectenrekening opneemt en wel dat een spaarder geld van zijn spaarrekening opneemt. Het belasten van rente die op de spaarrekening blijft staan is niet anders dan het belasten van dividend en vermogensaanwas die je via een effectenrekening realiseert.

Dat geldt mutatis mutandis ook voor crypto en beleggingen in goud en andere edelmetalen. Als de waarde van iemands crypto op 31 december is gestegen ten opzichte van 1 januari van datzelfde jaar, is ook dat een daadwerkelijk gerealiseerd rendement. Ook hier mag het niet uitmaken of de vinger van de cryptobelegger wel of niet op een knopje verkopen in de app op zijn telefoon heeft gedrukt.

Budgettaire aspecten

In de parlementaire stukken wordt regelmatig gerept over de budgettaire gevolgen van de VWB versus de VAB. Vooropgesteld, het is niet juist dat een VAB bij politiek Den Haag de voorkeur heeft boven de VWB, omdat de VAB – althans de eerste jaren vanaf 2028 – meer geld in het laatje van de overheid brengt dan de VWB. Er dient gekozen te worden voor een wetenschappelijk en praktisch deugdelijk box 3-stelsel. Dat genereert belastingopbrengsten. Het mag niet zo zijn dat de hoogte van belastingopbrengsten bepaalt welk box 3-stelsel in de wet moet komen te staan.

De VWB leidt in de eerste jaren onmiskenbaar tot een lagere opbrengst voor de schatkist dan bij de VAB. Bij de VWB betaalt de belastingplichtige zijn belasting immers pas op een later moment. Dat leidt tot een direct nadeel in de eerste jaren voor de overheid, die de belastinginkomsten later ontvangt. Door voor alle liquide middelen, waaronder uitdrukkelijk begrepen beursgenoteerde aandelen, te kiezen voor de VAB, wordt dit liquiditeitsnadeel voor de overheid kleiner.

Argumenten vóór de VAB

Eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat ik van geloof ben veranderd. Aanvankelijk was ik zoals een goed jurist betaamt voorstander van de VWB. Vooral Bas Jacobs, hoogleraar aan de VU Amsterdam heeft mij evenwel met zijn publicaties bekeerd. Zijn stelling luidt dat de VAB economisch superieur aan de VWB is. Superieur in termen van doelmatigheid, rechtvaardigheid, rechtsgelijkheid, vermogensopbouw en portefeuillekeuzes en belastingopbrengst. Voor een onderbouwing van zijn stelling verwijs ik naar zijn position paper van 19 mei 2026 in het kader van de deskundigenbijeenkomst over de Wet werkelijk rendement box 3 van de Eerste Kamer der Staten-Generaal. Een wat uitgebreidere versie van zijn betoog vindt men in zijn artikel van 16 mei 2026. Maar alvorens dit artikel te downloaden, raad ik de lezer aan vooraf wat pillen in te nemen tegen een overdadig maagzuur, gegeven de formules die het bevat. Die zijn namelijk volstrekt onverteerbaar, zeker voor een jurist.

Los van deze wetenschappelijke argumenten, de VAB is in de praktijk ook veel beter uitvoerbaar voor burgers en handhaafbaar voor de Belastingdienst:

  1. je rekent van jaar tot jaar af, je hoeft niet jarenlang alle onderliggende documenten waaronder aan- en verkoopgegevens te bewaren. Het vergt geen bepaling van historische kostprijzen, noch een lifo-, noch een fifo-, noch een systeem van gemiddelde aankoopprijzen;
  2. voor kleinere spaarders en beleggers is de VAB ook gunstiger omdat ze elk jaar hun heffingsvrij inkomen kunnen  benutten. Heffing bij latere realisatie van koerswinsten leidt ertoe dat het inkomen in dat jaar van realisatie uitkomt boven het heffingsvrij inkomen, wat wel heffing kost, terwijl ze in de voorafgaande jaren hun heffingsvrij inkomen niet hebben kunnen laten vollopen.

Deze column heeft niet zozeer de bedoeling de VAB te promoten, maar veeleer schijnargumenten daartegen te ontkrachten. Wetgever, kies voor liquide vermogensbestanddelen zoals banktegoeden, beursgenoteerde aandelen, obligaties en andere effecten, crypto en edelmetalen als belegging aangehouden voor de VAB. Alle tegenargumenten zijn schijnargumenten, gebaseerd op framing.
Nu begrijp ik de lobby door de beleggers voor de VWB wel. Een VWB leidt simpelweg tot een lagere belastingdruk dan de VAB. En tsja, welke belegger doet niet zijn best om zijn belastingdruk te verlagen.

Hoe anders is dat met illiquide vermogensbestanddelen

‘De wetenschappers’ maken in hun pleidooi voor de VAB geen onderscheid tussen liquide en illiquide vermogensbestanddelen. Zuiver dogmatisch is er ook geen verschil. Maar als praktijkbeest wil ik dat onderscheid beslist wel maken. Een wet die wetenschappelijk het meest verantwoord is, is lang niet altijd de beste wet. Voor het keurmerk van een goede wet geldt namelijk nog een belangrijk criterium: uitvoerbaarheid. Met in het verlengde daarvan doenvermogen voor belastingplichtigen en handhaafbaarheid voor de Belastingdienst.

De VAB vergt een waardering van vermogensbestanddelen op 1 januari van elk jaar en op 31 december van dat jaar. Dat is voor liquide vermogensbestanddelen zoals beursgenoteerde effecten, crypto en edelmetalen geen probleem. Die zijn eenvoudig verkrijgbaar. Banken geven zelfs perfect aan wat de vermogensaanwas in een jaar is geweest, ongeacht het aantal aan- en verkopen in de loop van dat jaar.

Hoe anders is dat bij illiquide vermogensbestanddelen, zoals vorderingen en schulden en onroerende zaken. Dat geldt voor alle aandelen die niet op een beurs staan genoteerd, dus ook voor werknemersparticipaties in het mkb. Of aandelen in starters of scale-ups. Voor die vermogensbestanddelen is een jaarlijkse waardering op steeds weer 1 januari als peildatum uitermate complex, zo niet onmogelijk.

Voor onroerende zaken veroorzaakt de VAB ook discriminatie met buitenlands vastgoed. Dat wordt voorkomen door ook voor Nederlands vastgoed te kiezen voor de VWB, zoals die ook in de meeste buitenlanden geldt.

Vorderingen en schulden

Neem een schuld met een vaste rente die een belastingplichtige is aangegaan bij een bank voor de financiering van zijn vakantiehuisje of caravan. De schrik slaat je om het hart als je de waarde in het economische verkeer hiervan wilt berekenen. Ik verwijs kortweg naar het kennisgroepstandpunt KG:202:2026:7 Waardering vorderingen en schulden in box 3. Die bevat een formule voor de berekening van de waarde in het economische verkeer waar geen enkele normale burger uitkomt:

H*Kh*[(1–(1/((1+Kvv)^t)))/Kvv]+[H/((1+Kvv)^t)]

waarbij:

  • H = de nominale waarde van de vordering
  • Kh = de contractrente
  • Kvv = de marktrente van een vordering met vergelijkbare voorwaarden
  • t = de resterende looptijd van de vordering op peildatum

Als het ministerie van Financiën echt de verwachting heeft dat burgers deze gruwelijke formule gaan gebruiken om zo de waarde in het economische verkeer van vorderingen en schulden uit te rekenen, is dat het toppunt van naïviteit.

Oké, voor schulden en vorderingen tussen natuurlijke personen mag men uitgaan van de nominale waarden, maar die regel geldt dus niet voor onder andere leningen bij de eigen bv en leningen bij een bank met een vaste rente.

Zo leidt een forse rentestijging in enig jaar tot een forse daling van de waarde in het economische verkeer van een schuld, wat 36% belastingheffing over die waardedaling met zich meebrengt. Terwijl er geen enkele euro extra in het laatje van die persoon komt om daarmee de belasting te kunnen betalen. Dit kan leiden tot ernstige liquiditeitsproblemen bij degene die zijn vakantiehuisje heeft gefinancierd met een lening met een vaste rente.

En dan te bedenken dat over de hele looptijd gezien een nominaal bedrag wordt geleend en uiteindelijk hetzelfde nominale bedrag weer wordt afgelost. Alle tussentijdse schommelingen van de marktrente (stijgingen en dalingen) hebben geleid tot respectievelijk negatieve en positieve vermogensaanwas die uiteindelijk tegen elkaar wegvallen. Ofwel, elk jaar een hoop rekenwerk, het ene jaar belasting betalen en het andere jaar weer belasting terugkrijgen, terwijl je op het einde van de rit toch altijd op nul uitkomt. Hoe kun je elkaar zo van zinloos werk voorzien.

Ten slotte is het belangrijk op te merken dat bij toepassing van een VAB voor vorderingen en schulden de Belastingdienst niet beschikt over contra-informatie, wat handhaafbaarheid lastig wordt.

Werknemersparticipaties

Deze uitvoeringsproblemen ontstaan ook bij werknemersparticipaties in box 3. Als iemand een participatie van 2% in de onderneming waarin hij werkt heeft, dient die werknemer ook weer elk jaar te bepalen wat de waarde in het economische verkeer van zijn participatie is. In het mkb is de waardering van ondernemingen best wel complex, niet iets dat je elk jaar op 31 december op de achterkant van een sigarendoosje zomaar even doet. Daardoor is de VAB bij werknemersparticipaties in de praktijk onuitvoerbaar.

Daarnaast leidt de VAB mogelijk tot substantiële liquiditeitsproblemen bij de betreffende werknemer omdat hij wel belasting moet betalen over de waardeaangroei, terwijl hij wellicht helemaal geen cashinkomen uit die onderneming heeft ontvangen.

Ook hier geldt het argument tegen de VAB voor werknemersparticipaties in de zin van het ontbreken van contra-informatie, wat handhaving nagenoeg onmogelijk maakt.

Startups en scale-ups

Door de VWB toe te passen op participaties die niet-beursgenoteerd zijn, wordt in de meeste gevallen problemen van belastingheffing bij startup en scale-ups voorkomen. Die gaan aldus ook onder de VWB vallen. Er vindt dan sowieso pas belastingheffing plaats bij verkoop van de aandelen in die ondernemingen. Tussentijdse waarderingen zijn dan niet aan de orde. Evenmin speelt het ontbreken van tussentijdse contra-informatie bij de Belastingdienst een rol. Want het gaat dan alleen nog maar om de heffing over de uiteindelijk daadwerkelijk gerealiseerde vermogensaanwas. Dat is eenvoud ten voeten uit.

Samenvatting en conclusie

Aan het kabinet en aan de Eerste Kamer der Staten-Generaal wil ik in overweging geven niet ideologisch in termen van of-of te denken, maar pragmatisch te kiezen voor en-en. Niet te kiezen voor óf de VAB óf de VWB, maar voor een combinatie van beide:

  • de VAB voor liquide vermogensbestanddelen, omdat dit dogmatisch de enige juist methode is van belastingheffing over vermogensaanwas. Maar daarnaast ook praktisch uitstekend uitvoerbaar is. Bovendien brengt het burgers niet in de verleiding om op heel eenvoudige wijze belastingheffing tot in het oneindige uit te stellen. En het komt ten slotte de staatskas op kortere termijn ten goede;
  • de VWB voor illiquide vermogensbestanddelen. Ook hiervoor is de VAB weliswaar dogmatisch meer juist, maar is in de praktijk volstrekt onuitvoerbaar.

Box 3-wetgeving die uitsluitend op de VWB is gebaseerd, zou een onjuiste keuze zijn.

Ondanks bovenstaande, lijkt onder zowel de voorstanders van de VAB als van de VWB wel consensus over één punt te bestaan: de WWR moet per 1 januari 2028 worden ingevoerd. Ondanks de gebreken in het huidige wetsvoorstel, is dit stelsel een heel stuk beter dan het huidige forfaitaire stelsel met de tegenbewijsregeling. Dat stelsel kent geen kostenaftrek, kent geen enkele verliescompensatie en gaat feitelijk uit van de VAB voor alle vermogensbestanddelen. Daarnaast kost het huidige stelsel de staat belastingopbrengst, omdat de burger steeds mag kiezen uit twee kwaden: als het werkelijk rendement hoog is voor het forfaitaire stelsel en als het werkelijk rendement tegenvalt voor de tegenbewijsregeling. Dat werkt in het nadeel van  de schatkist.

Het laat verder onverlet dat de WWR ook nog op andere punten moet worden verbeterd. Los van een carry back mogelijkheid van verliezen, zoals hierboven beschreven, zijn ook doorschuiffaciliteiten van eminent belang. Doorschuiffaciliteiten bij overlijden, inboedelen in een huwelijksgoederengemeenschap en verdelen van een huwelijksgoederengemeenschap. Ook de step-upregeling voor woningen per 1 januari 2028 behoeft verbetering, evenals de vastgoedbijtelling voor vakantiewoningen. Geheid dat een forfait van 3,35% van de WOZ-waarde in veel gevallen zal afwijken van de werkelijke waarde van het eigen gebruik. En daarmee juridisch risicogevoelig. Daarnaast heeft een vakantiewoning meer het karakter van besteding dan van belegging. Waarom geldt geen bijtelling voor een voorwerp als een camper, maar wel voor een net vakantiehuisje. Alleen maar omdat een camper vier wielen heeft? In een wat erger geval zelfs zes wielen?

Kortom, de WWR is allesbehalve perfect, maar zoals de staatssecretaris van Financiën zelf al aangaf een goed tussenstation naar een beter box 3-stelsel.

 

Informatiesoort: Column

Rubriek: Inkomstenbelasting

Dossiers: Box 3

84

Gerelateerde artikelen