Recent zag ik in de praktijk twee nagenoeg identieke situaties. Na vragen van de inspecteur aan (de belastingadviseur van) de belastingplichtige over ingediende aangiften – waarop adequaat was gereageerd – bleef het enige tijd stil. Kort daarna was er een onaangekondigd bezoek van de FIOD bij het belastingadvieskantoor met een vordering tot afgifte van stukken (art. 126nd Sv). Daarbij werd ook kenbaar gemaakt dat de opsporingsdienst de betrokken adviseurs als getuige wilde horen. Hoe dient de adviseur in deze situatie te handelen?
Het kantoor wordt in dergelijke situaties geconfronteerd met een verstrekkende vordering. Vaak worden niet alleen volledige aangifte‑ en adviesdossiers opgevraagd, maar ook (interne) e‑mail‑ en WhatsApp‑correspondentie.
In beginsel moet de adviseur aan zo’n vordering voldoen. Doet hij dat niet, dan levert dat het strafbare feit op van het niet voldoen aan een ambtelijk bevel (art. 184 Sr). Een belangrijke uitzondering geldt voor stukken die onder het (afgeleid) verschoningsrecht vallen, zoals correspondentie met een advocaat of notaris. Mocht de FIOD ook die vertrouwelijke stukken willen hebben, dan is het verstandig deze separaat aan te leveren met de vermelding dat deze onder het verschoningsrecht vallen en om die reden in handen van de rechter(‑commissaris) dienen te worden gesteld.
Interessant is de vraag of het fair‑playbeginsel ook enige gelding in een strafprocedure behoort te hebben. Volgens een brochure van de NOB uit 2022 kan de adviseur zich bij een strafrechtelijk onderzoek niet beroepen op het informeel verschoningsrecht. A‑G Koopman acht dat onderscheid tussen rechtsgebieden niet wenselijk en pleit voor een uniforme uitleg en toepassing van het informele verschoningsrecht (A‑G Koopman 20 december 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1402). Totdat de Hoge Raad hierover duidelijkheid geeft, ligt het voor de hand om ook voor fair‑playstukken de hiervoor beschreven route via de rechter(‑commissaris) te volgen.
De meeste belastingadviseurs zijn gebonden aan een (contractuele) geheimhoudingsplicht. In artikel 4 van de beroepsregels van de NOB en het RB is een geheimhoudingsplicht opgenomen voor alles wat in de uitoefening van het beroep ter kennis komt, tenzij de cliënt ontheffing heeft verleend of een wettelijke verplichting bestaat die de geheimhoudingsplicht doorbreekt.
Tegenover de FIOD geldt géén spreekplicht. Stelt de FIOD vragen aan de adviseur, dan brengt de geheimhoudingsplicht mee dat hij geen verklaring mag afleggen. Toch laten adviseurs zich vaak hiertoe verleiden. Dat is risicovol, omdat ‘vrijwillig’ verklaren kan leiden tot een civielof tuchtrechtelijk verwijt (Raad van Beroep NOB 21 februari 2013, nr. B 85). Zonder wettelijke verplichting blijft de geheimhoudingsplicht immers gelden.
Pas wanneer de rechter(‑commissaris) de adviseur oproept voor verhoor, ontstaat een wettelijke verplichting tot verklaren (art. 215 Sv). Ook wanneer de rechter het verhoor delegeert aan de FIOD (Accountantskamer 16 april 2021, ECLI:NL:TACAKN:2021:27).
De adviseur die wordt geconfronteerd met vragen door de FIOD kan dus alleen ‘getuigen’ als hij met de cliënt afstemt dat ontheffing van de geheimhoudingsplicht wordt verleend. In overleg treden met de cliënt kan echter (meestal) niet, omdat in de vordering doorgaans wordt vermeld dat geen mededeling daarover aan anderen mag worden gedaan. Alsdan is de adviseur gehouden een beroep te doen op zijn geheimhoudingsplicht en de FIOD te verwijzen naar de rechter‑commissaris.