Gebruik van vermoedens als bewijs van beboetbaar feit. De statistische methode van andere personen die de Belastingdienst met een beroep op de omkering en verzwaring van de bewijslast in zaken van het KB-Luxtype hanteert, kan niet kan dienen voor de bepaling van de boetegrondslag omdat het vermoeden te ver verwijderd is van de aanwijzingen over de belanghebbende zelf. Hetzelfde geldt voor de ervaringsregel dat een spaarsaldo niet uit het niets ontstaat en ook niet zomaar verdwijnt, deze is niet 'hard' genoeg om zonder meer bewijs te leveren.

X is een zogeheten KB Lux-ontkenner. Op basis van gegevens van meewerkende rekeninghouders stelt de inspecteur ambtshalve de saldi van X vast en legt hij navorderingsaanslagen IB/PVV en vermogensbelasting op met verhogingen respectievelijk boeten die zijn vastgesteld op een percentage van de nagevorderde bedragen. Het geschil spitst zich toe op de vraag hoe de grondslag waarop het boetepercentage wordt toegepast, wordt bepaald.

Advocaat-generaal Niessen gaat in op de vraag in hoeverre vermoedens kunnen dienen als bewijs van een beboetbaar feit. Het komt de A-G voor dat de statistische methode van andere personen die de Belastingdienst met een beroep op de omkering en verzwaring van de bewijslast in zaken van het KB-Luxtype hanteert, niet kan dienen voor de bepaling van de boetegrondslag omdat het vermoeden te ver verwijderd is van de aanwijzingen over de belanghebbende zelf. De ervaringsregel die de Belastingdienst hanteert dat een spaarsaldo niet uit het niets ontstaat en ook niet zomaar verdwijnt, acht de A-G onvoldoende 'hard' om zonder nadere gegevens het bewijs te kunnen leveren. Een vermogenssprong kan wel degelijk plotseling ontstaan (schenking, casino) of snel verdampen (exceptionele uitgaven, misdrijf). Ook het leveren van bewijs van dergelijke feiten zal in de regel zelfincriminatie impliceren en dus niet mogen worden verlangd (zie ook het Chambaz arrest). Dit impliceert dat de fiscus het bewijs moet leveren met andere bewijsmiddelen die op X zelf betrekking hebben, bijvoorbeeld de omstandigheid dat uit de aangiftes van X een onverklaarbare vermogensachteruitgang naar voren komt en dat er geen enkele aanwijzing is dat X een kostbare levensstijl voert. Rekening houdend met het voorgaande, adviseert de A-G de Hoge Raad het cassatieberoep van de staatssecretaris ongegrond te verklaren.

 

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Algemene wet inzake rijksbelastingen 67e

Algemene wet inzake rijksbelastingen 27e-7

Algemene wet inzake rijksbelastingen 27e-3

Algemene wet inzake rijksbelastingen 25-7

Algemene wet inzake rijksbelastingen 25-3

Informatiesoort: VN Vandaag

Rubriek: Bronbelasting, Inkomstenbelasting

Instantie: Hoge Raad

Editie: 18 maart

5

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen