X maakt gebruik van de diensten van een NCNP-bureau bij het bestrijden van de WOZ-waarde van zijn woning. Rechtbank Den Haag acht de WOZ-waarde correct maar kent een gematigde kostenvergoeding van € 87,50 toe omdat de heffingsambtenaar de door X gevraagde stukken in bezwaar niet heeft toegezonden. De rechtbank acht daarbij de eenvoud van de zaak, de (zeer geringe) werkbelasting van de gemachtigde alsook het geringe belang van de zaak van belang. Verder wijst de rechtbank op de maatschappelijke wens om de overcompensatie weg te nemen die er is bij het toekennen van vergoedingen van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Hof Den Haag oordeelt dat de rechtbank de proceskostenvergoeding ten onrechte heeft gematigd. De eenvoud van de zaak en het geringe belang komen namelijk al in de wegingsfactor tot uitdrukking. Voor matiging is slechts plaats wanneer sprake is van een uitzonderlijke situatie waarin de toekenning van een vergoeding leidt tot een onrechtvaardige uitkomst. Dat is niet het geval. Het hof honoreert vervolgens niet het verzoek van X om de proceskostenvergoeding van € 612,50 over te maken naar de gemachtigde. Volgens het hof is de belastingrechter niet bevoegd om een oordeel te geven over de wijze waarop de betaling van de proceskostenvergoeding moet plaats vinden. X moet zich bij een geschil over de uitbetaling van de proceskostenvergoeding wenden tot de burgerlijke rechter.
Wetingang:
Wet waardering onroerende zaken artikel 40
Besluit proceskosten bestuursrecht artikel 2
Instantie: Hof Den Haag
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 2 juli
Informatiesoort: VN Vandaag