X woont in Duitsland en is buitenlands belastingplichtig. De inspecteur ontvangt op 9 november 2021 de aangifte IB 2020, waarin X een pensioenuitkering van € 92.502 vermeldt. De inspecteur legt op 15 december 2023 de aanslag op en brengt € 299 belastingrente in rekening over de periode 1 juli 2021 tot en met 22 maart 2022. De inspecteur vermeldt dat hij afwijkt van de aangifte. X maakt bezwaar en gaat vervolgens in beroep.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de inspecteur de belastingrente correct berekent over de periode van 19 weken na ontvangst van de aangifte, conform de wettelijke regeling bij een aanslag overeenkomstig de aangifte. Hoewel de aanslag vermeldt dat de inspecteur afwijkt, constateert de rechtbank geen verschillen tussen aangifte en aanslag. Tijdige betaling is niet relevant voor de renteberekening. Daarnaast is het rentepercentage niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel en wordt geen ongeoorloofde inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht, zie HR 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59, V-N 2026/5.21. Van schending van het motiverings- of gelijkheidsbeginsel is ook geen sprake. Het beroep is ongegrond.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 30FC
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.57
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 1 juli
Informatiesoort: VN Vandaag