De heer X is ondernemer. X verricht werkzaamheden als boekhouder en verzorgt belastingaangiften. In geschil is zijn eigen IB-aanslag over 2006. Volgens de inspecteur heeft X in dat jaar een Ziektewetuitkering van € 11.968 genoten, die niet in de aangifte is verantwoord. Rechtbank Gelderland verlaagt het belastbare inkomen. X gaat in hoger beroep. Op de dag van de zitting stuurt X zijn pleitnota per fax naar het hof. X verzoekt hierin om uitstel omdat hij het verweerschrift in hoger beroep van de inspecteur niet heeft ontvangen. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat niet aannemelijk is dat X het verweerschrift niet zou hebben ontvangen. In zijn pleitnota verwijst X namelijk naar bijlage 13 van het verweerschrift. X stelt vergeefs dat de ZW-uitkering reeds in 1997 bij wijze van compromis in de heffing is betrokken. Er is hiertoe namelijk door X geen begin van bewijs bijgebracht. Gelet op eerdere – in de stukken van het geding vermelde – verklaringen van de belastingambtenaar met wie X het compromis zou zijn gesloten, hoeft deze niet als getuige te worden gehoord. Het beroep van X is ook voor het overige ongegrond.
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen
Zowel in aantal als balansomvang flinke daling van belastingontwijkingsvehikels
Het aantal financiële holdings van multinationals is tussen 2017 en 2025 gedaald van ruim 14 duizend organisaties naar nog geen 8 duizend in 2025. Dat meldt De Nederlandsche Bank op haar website.
Kennisgroepstandpunt: Liechtensteinse AG is vergelijkbaar met Nederlandse NV of BV
De Kennisgroep belastingplicht en kwalificatie rechtsvormen stelt dat een naar het recht van Liechtenstein opgerichte Aktiengesellschaft (AG) naar aard en inrichting vergelijkbaar is met een Nederlandse NV of BV.
Kennisgroep: Curaçaose BV is vergelijkbaar met Nederlandse NV of BV
Een Curaçaose BV is voor de toepassing van de Wet VPB 1969, de Wet IB 2001, de Wet DB 1965 en de Wet BB 2021 vergelijkbaar met een Nederlandse NV of BV. Dit staat in een standpunt van de Kennisgroep belastingplicht en kwalificatie rechtsvormen.
Uitvoeringsvoorschriften bronbelasting op interest en royalty’s
De Staatssecretaris van Financiën heeft de Uitvoeringsvoorschriften bronbelasting op interest en royalty’s gepubliceerd. Dit besluit bevat de universele Nederlandse uitvoeringsvoorschriften van het interestartikel en het royaltyartikel in belastingverdragen voor de heffing van de bronbelasting op interest en royalty’s op grond van de Wet bronbelasting 2021. Het is een actualisering van het besluit van 7 december 2021, nr. 2021-21220, V-N 2022/3.10.
FASTER-richtlijn aangenomen door de Raad van de EU
Op 10 december 2024 heeft de Raad van de EU de FASTER-richtlijn (V-N 2023/31.10) aangenomen. De volgende stap is dat de tekst in het Publicatieblad van de EU wordt bekendgemaakt. De lidstaten moeten de richtlijn uiterlijk op 31 december 2028 in nationale wetgeving omzetten. De voorschriften zijn vanaf 1 januari 2030 van toepassing.