De vermogensrendementsheffing 2017 en 2018 is in strijd met het discriminatieverbod van artikel 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, stelt Rechtbank Noord-Nederland in een nieuwe uitspraak.

Eerder dit jaar stelde advocaat-generaal Wattel van de Hoge Raad zich op datzelfde standpunt. De rechtbanken Gelderland en Noord-Holland oordeelden juist dat de vermogensrendementsheffing nét binnen lijntjes van de Europese wet past.

Het oordeel van Rechtbank Noord-Nederland omvat twee zaken die geselecteerd zijn als proefprocedures voor het massaal bezwaar box 3 voor de jaren 2017 en 2018 en zijn onderdeel van een reeks proefprocedures die de Belastingdienst uitvecht met de Bond voor Belastingbetalers. Daarvoor zijn zes casussen uitgekozen.

De uitspraken moeten uitwijzen of de box 3-heffing wettelijk door de beugel kan. Afgelopen maart oordeelde de rechter in Noord-Holland dat dat nét het geval is, maar dat de wetgever wel de grens heeft bereikt van wat er Europees gezien mag. 

Aan de uitvoering van de belastingheffing veranderen de uitspraken voorlopig helemaal niets. Het is geen jurisprudentie die de fiscus dwingt om het over een andere boeg te gooien, stelt de Groningse rechtbank met zoveel woorden. Wil er iets veranderen, dan moet de wet worden aangepast. De beroepen worden daarom – ondanks het oordeel dat de box 3-heffing in strijd is met artikel 14 EVRM – ongegrond verklaard.

Lees ook het thema Box 3.

Bron: Redactie TaxLive/trouw

Informatiesoort: Nieuws

Rubriek: Inkomstenbelasting

Dossiers: Box 3

Focus: Focus

Carrousel: Carrousel

5

Gerelateerde artikelen