Om mij onbegrijpelijke redenen verschijnen er steeds maar box 3-publicaties over, wat ik noem, een achterhoedegevecht.

Collega Albert schreef in WFR 2026/128 een heel betoog waarom volgens hem een vermogensaanwasbelasting (VAB) in box 3 vanaf 2028 toch echt beter is dan een vermogenswinstbelasting (VWB) en recent volgde Van Uunen hem hierin op TaxLive. Beiden hebben zich, zo schrijven zij zelf, laten overtuigen door het economische verhaal van Jacobs en Gerritsen in (onder meer) WFR 2026/59. Enigszins merkwaardig is dat wel naar mijn mening, want de economische argumenten ten faveure van een VAB zijn allesbehalve nieuw.

Hoe dan ook, dit zijn achterhoedegevechten, want inmiddels is wel duidelijk dat het parlement en, wat mij betreft niet onbelangrijk, ook de meerderheid van de Nederlandse bevolking in box 3 voor een integrale VWB. Ikzelf heb mij daar ook voorstander van betoond, niet omdat een VAB niet beter zou zijn – dat is ie namelijk wel – maar vooral omdat ik bij een VAB nationale en internationale mismatches voorzie met vooral internationale dubbele heffingen. Een VAB is pas realistisch als die internationaal gemeengoed is en dat is ie nu bij lange na (nog) niet.

Een ander die op dit moment ook een achterhoedegevecht levert, is de staatssecretaris van Financiën. Op vrijdag 19 juni jl. heeft hij een brief gepubliceerd met zeven mogelijke aanpassingen van het huidige wetsvoorstel voor de nieuwe box 3 vanaf 2028. Maar dé aanpassing, waarop we zitten te wachten, namelijk omvorming van het huidige wetsvoorstel naar een integrale VWB, zit er niet bij. In plaats daarvan komt de staatssecretaris met allerlei geneuzel op de vierkante millimeter, zoals een éénjarige achterwaartse verliesverrekening, een doorschuifregeling bij huwen en echtscheiden (daarover later meer), opnieuw een heffingskorting voor groene beleggingen (terwijl we die net gaan afschaffen per 2028), parameter-aanpassingen (lager tarief en hoger heffingsvrij resultaat), herinvoering van het keuzerecht voor, kort gezegd, ‘30-procenters’ (terwijl we die net in 2025 hebben afgeschaft) en, de nieuwste loot aan de stam, een win-winlening.

Ik snap, eerlijk gezegd, niet waarom hieraan nog zoveel tijd wordt besteed. Zet ambtenaren aan het werk om per 1 januari 2028 een integrale VWB in te voeren in plaats van zich onledig te laten houden met dit soort nutteloze achterhaalde regelingen. De budgettair duurste maatregel is de achterwaartse verliesverrekening maar die is bij een VWB veel minder noodzakelijk dan bij een VAB. Bij een VAB worden immers jaarlijks de waardestijgingen fiscaal ‘afgerekend’ en dan is er bij een waardedaling meer behoefte aan om dit via een achterwaartse verliesverrekening te verwerken. Bij een VWB is dit minder noodzakelijk, omdat slechte en goede beleggingsjaren ‘gesaldeerd’ tot uitdrukking komen in de uiteindelijke verkoopprijs.

En de achterwaartse verliesverrekening levert altijd gedoe op, weten we uit de praktijk, dus die heb je om uitvoeringsredenen liever niet. Ik zoom even nader in op de in deze brief aangekondigde doorschuifregeling voor huwen en echtscheiden. Allereerst: in een VAB is die niet nodig, alleen in een VWB. Maar ook in een VWB is die niet nodig, zoals kennelijk wordt gedacht. De aangekondigde doorschuifregelingen zijn vermoedelijk ingegeven vanuit de gedachte dat vermogen bij het gaan huwen in gemeenschap van goederen voor de helft overgaat naar de andere echtgenoot en in een VWB de meerwaarde daarin voor het deel dat via de huwelijksgemeenschap toekomt aan de andere echtgenoot, moet worden afgerekend. In box 2 is dit bijvoorbeeld de situatie. Maar, en dat lijkt men te vergeten, box 2 is op dit punt de uitzondering.

Hoofdregel in de inkomstenbelasting is namelijk dat de genieter van het inkomen is die echtgenoot op wiens naam het desbetreffende vermogensbestanddeel (dat het inkomen genereert) staat. Dit is vaste jurisprudentie in de IB-ondernemerssfeer 1. Daarom wordt iemand geen IB-ondernemer louter door een gemeenschap van goederen aan te gaan met een ondernemer. Voor IB-ondernemerschap is een meer rechtstreekse band vereist met de onderneming, wat in de jaren ’90 van de vorige eeuw tot grote bloei van de manvrouw-firma heeft geleid.

In de tbs-sfeer in box 1 is ook vaste jurisprudentie dat (alleen) de tbs’er is die echtgenoot op wiens naam het tbs-vermogensbestanddeel staat en niet (ook) de in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoot 2. Dit was in strijd met wat de staatssecretaris van Financiën steeds heeft verkondigd in de wetsgeschiedenis en in beleidsbesluiten, reden waarom hij de wet moest aanpassen, toen bleek dat zijn opvatting niet rechtens juist was; zie art. 3.92 lid 4 Wet IB 2001.

En opeens waren er dan ook doorschuifregelingen nodig voor boedelmenging en ontbinding van de huwelijksgemeenschap; zie art. 3.98c respectievelijk art. 3.98d Wet IB 2001. Had de staatssecretaris zich geconformeerd aan het oordeel van de Hoge Raad, dan waren die doorschuifregelingen helemaal niet nodig geweest. Voor de andere tbs-regeling van art. 3.91 Wet IB 2001 geldt dit ook niet en geldt nog steeds de (vaste) jurisprudentie dat alleen de tbs’er is de echtgenoot op wiens naam het tbs-vermogensbestanddeel staat.

Alleen box 2 is op deze vaste lijn altijd de grote uitzondering geweest, maar dat is veroorzaakt door de wetgeving terzake, waardoor de Hoge Raad zich gedwongen voelde om de in gemeenschap gehuwde echtgenoot louter om die reden te kwalificeren als aanmerkelijkbelanghouder 3.

Maar, zal men mij dan tegenwerpen, waarom kent de IB-ondernemerssfeer in art. 3.59 Wet IB 2001 dan een (verplichte) doorschuifregeling voor ontbinding van de huwelijksgemeenschap, als de andere echtgenoot geen IB-ondernemer wordt door de huwelijksgemeenschap? Die doorschuifregeling is dan ook niet onomstreden. Men kan betogen dat die inderdaad overbodig is als de IB-onderneming bij ontbinding van de huwelijksgemeenschap wordt toegescheiden aan de echtgenoot/ondernemer zelf. Die was immers de (enige) IB-ondernemer en blijft dat ook na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Er gaat dan geen belastingclaim verloren.

Die doorschuifregeling is er ook eigenlijk ten overvloede voor het geval de IB-onderneming in het kader van de ontbinding van de huwelijksgemeenschap wordt toegescheiden aan de andere echtgenoot/niet-ondernemer. Want die wordt dan voor het eerst IB-ondernemer en begint dan met een openingsbalans naar de werkelijke waarde. Om dan geen gat in de belastingheffing te laten vallen, moet bij de (oorspronkelijke) ondernemer een fictieve overdracht worden geënsceneerd, waarop dan vervolgens een doorschuifregeling kon worden gebaseerd. Maar waarom zou men een onderneming bij ontbinding van de huwelijksgemeenschap toescheiden aan de andere echtgenoot/niet-ondernemer? Dat is toch niet logisch? En, als men dat dan toch doet, dan doet men dit, zo mag ik toch aannemen, bij het volle verstand en dan heeft men de bijbehorende fiscale gevolgen toch te accepteren? Die heeft men dan zogezegd ingecalculeerd. Waarom zou daarvoor dan een doorschuifregeling moeten worden geboden? Atypisch gedrag hoeft fiscaal toch niet te worden ‘beloond’?

Projecteer ik dit naar de nieuwe box 3 vanaf 2028, dan is in een VWB een doorschuifregeling voor boedelmenging en ontbinding van de huwelijksgemeenschap niet noodzakelijk. Beide rechtsfeiten leiden, als uitgangspunt, niet tot een verplichte fiscale afrekening. En kiest men ervoor om bij ontbinding van de huwelijksgemeenschap de vermogensbestanddelen toe te scheiden aan de andere echtgenoot, dan heeft men de bijbehorende fiscale afrekening te accepteren. Sterker nog, ik voorspel dat, als men zulke doorschuifregelingen in box 3 toch mogelijk maakt, en daar ziet het inmiddels dus naar uit, dan zal het aangaan van een huwelijksgemeenschap en ontbinding ervan, net als nu al het geval is in box 2, leiden tot fiscale planning teneinde de afrekening bij het overlijden van de eerste echtgenoot te voorkomen en uit te stellen tot het overlijden van de andere echtgenoot. Dit is zelfs aangemerkt als een van de tien ‘opmerkelijke belastingconstructies’.

Is dit dan wat de staatssecretaris wil, dat boedelmenging en ontbinding van de huwelijksgemeenschap wordt ingezet als fiscale planning, net zoals we op grote schaal zien in box 2? Ik mag toch hopen van niet. Dus het is naar mijn mening terecht dat de nieuwe box 3 in de VWB geen doorschuifregelingen kent voor boedelmenging en ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Die zijn niet nodig. In plaats daarvan schaffe men, omgekeerd, beter de doorschuifregeling in box 2 van art. 4.17 Wet IB 2001 af en regelt men dat enige aanmerkelijkbelanghouder is de echtgenoot op wiens naam de aandelen staan.

En schaffe men ook het bepaalde in art. 3.92 lid 4 Wet IB 2001 af en de daarmee samenhangende doorschuifregelingen van art. 3.98c en art. 3.98d Wet IB 2001. Dan keren we in de tbs-sfeer weer terug naar de jurisprudentie, zoals die ook geldt voor die andere tbs-regeling van art. 3.91 Wet IB 2001.

En tot slot, schaffe men dan ook de doorschuifregeling van art. 3.59 Wet IB 2001 af, want ook die is feitelijk overbodig. Dan is de inkomstenbelasting op dit thema van de in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoot overal consistent en voorkomt men dat boedelmenging en ontbinding van de huwelijksgemeenschap worden misbruikt om vermogensbestanddelen in het zicht van overlijden belastingvrij te laten toekomen aan de andere echtgenoot. Daar is de huwelijksgemeenschap immers nooit voor bedoeld!

En maak voorts zo spoedig mogelijk werk van een integrale VWB in box 3 vanaf 2028!

-------------------------------------

HR 29 september 1954, ECLI:NL:HR:1954:AY2965, BNB 1954/333, HR 27 oktober 1954, ECLI:NL:HR:1954:AY2351, BNB 1955/2 en HR 20 maart 1963, ECLI:NL:HR:1963:AY4547, BNB 1963/205.
2  HR 9 mei 2003, 37 549, ECLI:NL:HR:2003:AE8795, BNB 2003/288 en HR 15 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BH9198, BNB 2010/100.
Onder meer HR 10 september 1980, ECLI:NL:HR:1980:AW9905, BNB 1980/294, HR 25 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5175, BNB 1993/103 en HR 10 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU2004, BNB 2007/15.

Informatiesoort: Column

Rubriek: Inkomstenbelasting

Dossiers: Box 3

Focus: Focus

13

Gerelateerde artikelen