Belanghebbende, X, drijft een eenmanszaak. In zijn aangifte IB/PVV 2021 geeft hij een bedrag van € 21.180 aan looninkomsten op met € 8060 aan ingehouden loonheffing. De inspecteur schrapt bij het opleggen van de aanslag de looninkomsten maar neemt wel een bedrag van circa € 100.000 aan niet aangegeven koeriersinkomsten in aanmerking. Ook wordt een vergrijpboete opgelegd van (na vermindering) € 16.685.
Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat X niet de vereiste aangifte heeft gedaan door looninkomsten en ingehouden loonheffing van niet genoten inkomsten aan te geven en tegelijkertijd aanzienlijke bedragen uit koerierswerkzaamheden niet aan te geven. De verklaringen van X dat de ontvangen bedragen bestemd zijn voor zijn partner of neef acht het hof onbewezen en ongeloofwaardig. Omdat de vereiste aangifte niet is gedaan, geldt omkering en verzwaring van de bewijslast. X toont niet overtuigend aan dat de aanslagen onjuist zijn. Het hof acht de door de inspecteur gemaakte inkomensschatting, gebaseerd op bankontvangsten van in totaal € 99.904, redelijk en niet willekeurig. Het hof ziet geen aanleiding rekening te houden met door X gestelde kosten, omdat deze niet zijn onderbouwd. De vergrijpboete van 40% van de verschuldigde belasting wegens het opzettelijk onjuist aangifte doen acht het hof passend en geboden. Het hoger beroep van X is ongegrond.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 27E
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.90
Instantie: Hof 's-Hertogenbosch
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 6 augustus
Informatiesoort: VN Vandaag