X woont sinds 2018 in België. X dient - na uitnodiging, herinnering en aanmaning hiertoe - geen aangifte IB/PVV 2018 in. De inspecteur stelt begin 2021 de aanslag IB/PVV 2018 definitief vast. X dient op 11 juni 2024 een bezwaarschrift in. De inspecteur verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk. Het bezwaar wordt aangemerkt als verzoek om ambtshalve vermindering en afgewezen. In geschil is of de inspecteur terecht het bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PVV 2018 niet-ontvankelijk verklaart en het verzoek om ambtshalve vermindering afwijst.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de inspecteur het bezwaar van X tegen de aanslag IB/PVV 2018 terecht niet-ontvankelijk verklaart. Het verzoek om ambtshalve vermindering is terecht afgewezen. Ook als de rechtbank uitgaat van de door X gestelde datum van ontvangst van de aanslag, dient X het bezwaar pas na afloop van de zeswekentermijn in en voert hij daarvoor geen verschoonbare reden aan. X voert geen inhoudelijke gronden aan waaruit volgt dat de aanslag te hoog is. X' beroep is ongegrond.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.11
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 9.6
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 16 april
Informatiesoort: VN Vandaag