X doet op 15 maart 2024 een schriftelijk verzoek om een beschikking teruggave bijdrage ZVW 2022. De inspecteur ontvangt dit verzoek op 19 maart 2024. X dient op 26 juli 2024 een ingebrekestelling in. De inspecteur beslist pas op 10 februari 2025 en kent een teruggaaf toe van € 140. De inspecteur behandelt het verzoek als een afzonderlijke aanvraag en stuurt het door naar de afdeling die verantwoordelijk is voor teruggaven. De zaak wordt gelijktijdig behandeld met een beroep over de aanslag IB/PVV 2022.
In geschil is of het verzoek van X een aanvraag vormt en of de inspecteur daarom een dwangsom verschuldigd is wegens niet tijdig beslissen.
Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat het verzoek van X een aanvraag vormt in de zin van art. 1:3 Awb. De rechtbank past het arrest van de Hoge Raad van 19 april 2024, nr. 2023/01813, ECLI:NL:HR:2024:614, V-N 2024/19.23 toe en stelt vast dat geen wettelijk voorschrift een ander oordeel voorschrijft. De beschikking teruggaaf ZVW 2022 vloeit voort uit het verzoek en niet uit de aangifte IB/PVV. De inspecteur beslist te laat en daarom bepaalt de rechtbank de dwangsom op € 1442.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 1.3
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 8
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.55C
Instantie: Rechtbank Noord-Nederland
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 12 mei
Informatiesoort: VN Vandaag