X koopt in 2018 een woning met onder andere een bijkeuken en een aangebouwde slaapkamer. Na de aankoop wordt de woning verbouwd, waarbij het de bedoeling is dat de bijkeuken en de aangebouwde slaapkamer worden verbouwd tot een praktijkruimte. Ten tijde van de verhuizing naar deze woning in 2020 is de verbouwing van de praktijkruimte nog niet afgerond. De praktijkruimte wordt vervolgens pas in 2025 voor de ZZP-werkzaamheden van X in gebruik genomen. In 2026 bevindt de verbouwing van de praktijkruimte zich in de afrondende fase. In haar IB-aangifte 2018 activeert X een praktijkruimte op de ondernemingsbalans en claimt zij investeringsaftrek en willekeurige afschrijving voor startende ondernemers. De inspecteur corrigeert de aangifte op deze punten.
Hof Amsterdam oordeelt dat X geen recht heeft op investeringsaftrek, omdat er voor het jaar 2018 niet van kan worden uitgegaan dat de bijkeuken en de slaapkamer uitsluitend voor het gebruik als praktijkruimte zijn bestemd. De uitsluitingsbepaling van art. 3.45 lid 1 onderdeel c Wet IB 2001 is van toepassing. Het hof acht daarbij onder andere van belang dat de praktijkruimte in 2018 naar aard en inrichting onderdeel uitmaakt van het woonhuis en niet uitsluitend voor praktijkuitoefening is bestemd. Verder zijn de plannen voor de praktijkruimte in 2018 onvoldoende concreet, is de financiering onzeker en dateert de offerte van 2023. Het hof wil er nog wel in meegaan dat de vertraging mede door de coronapandemie is veroorzaakt, maar dat is niet de enige reden. Het in de IB-aangifte 2018 als ondernemingsvermogen gekwalificeerde gedeelte van de onroerende zaak kan volgens het hof voor de toepassing van de IA en de vervroegde afschrijving niet als bedrijfsmiddel worden aangemerkt. Het gelijk is aan de inspecteur.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.34
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.40
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.45
Instantie: Hof Amsterdam
Rubriek: Inkomstenbelasting
Editie: 11 augustus
Informatiesoort: VN Vandaag