De Hoge Raad oordeelt dat de hoorplicht met betrekking tot de nevenvorderingen niet is geschonden omdat de inspecteur al volledig aan het bezwaar tegemoet is gekomen door de BPM-naheffingsaanslag - zijnde het primaire besluit - te vernietigen.

Aan X bv is een BPM-naheffingsaanslag opgelegd. In bezwaar verzoekt X bv tevens om vergoeding van de volledige kosten van rechtsbijstand en om vergoeding van immateriële schade wegens het overschrijden van de redelijke termijn. Bij uitspraak op bezwaar is de aanslag vernietigd en is een forfaitaire bezwaarkostenvergoeding toegekend. Op het verzoek om toekenning van de immateriële schadevergoeding is niet gereageerd. Volgens X bv had de inspecteur haar voorafgaand aan het doen van uitspraak op bezwaar moeten horen. Hof Den Haag overweegt dat als de hoorplicht al is geschonden, aan deze schending kan worden voorbijgegaan omdat X bv er niet door is benadeeld. X bv gaat in cassatie.

De Hoge Raad oordeelt dat de hoorplicht met betrekking tot de nevenvorderingen niet is geschonden omdat de inspecteur al volledig aan het bezwaar tegemoet is gekomen door de naheffingsaanslag - zijnde het primaire besluit - te vernietigen (vgl. HR 26 januari 2018, 17/04365, V-N 2018/7.8, r.o. 2.3). De hoorplicht ten aanzien van de nevenvorderingen vloeit ook niet voort uit enige andere regel van Nederlands nationaal recht of op grond van het EU-verdedigingsbeginsel of de EU-beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid. Het beroep van X bv is ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Algemene wet bestuursrecht 7:3

Algemene wet bestuursrecht 7:2

Informatiesoort: VN Vandaag

Rubriek: Bronbelasting

Instantie: Hoge Raad

Editie: 28 oktober

4

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen