Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de aan E verstrekte lening niet tot het ondernemingsvermogen van X behoort. X maakt namelijk niet aannemelijk dat hij de lening heeft verstrekt binnen het kader van de normale uitoefening van zijn onderneming.

Belanghebbende, X, drijft een eenmanszaak. De activiteiten bestaan uit de exploitatie van onroerende zaken. In 2009 verstrekt X een lening van € 45.000 aan E, een vriend van zijn neef. E wil namelijk een kledingwinkel beginnen. In 2011 waardeert X het bedrag van € 45.000 af naar nihil. In geschil is of de lening tot het ondernemingsvermogen van X behoort.

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de verstrekte lening niet tot het ondernemingsvermogen van X behoort. Volgens het hof maakt X namelijk niet aannemelijk dat hij de lening heeft verstrekt binnen het kader van de normale uitoefening van zijn onderneming. Het hof acht daarbij van belang dat X heeft opgemerkt dat het verstrekken van leningen een nieuwe activiteit binnen zijn onderneming vormt, maar dat X niet heeft kunnen aangeven dat er meerdere leningen, zoals die aan E is verstrekt, zijn verstrekt binnen het kader van de eenmanszaak. Verder acht het hof nog van belang dat de lening niet op de balans per 31 december 2009 van de eenmanszaak is vermeld en dat de bedragen vanaf een privé-bankrekening zijn overgemaakt. Ook wijst het hof er nog op dat in de overeenkomst meerdere malen wordt vermeld dat het een Agaathlening (een box 3-vordering) betreft. Een en ander houdt volgens het hof in dat er sprake is van een risicovolle belegging. X kan de lening dan ook niet ten laste van zijn winst afwaarderen.

Lees ook het thema De onzakelijke lening.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet inkomstenbelasting 2001 3.4

Editie: 23 augustus

Instantie: Hof Arnhem-Leeuwarden

Rubriek: Inkomstenbelasting

Informatiesoort: VN Vandaag

  15
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen