Hof Amsterdam beslist dat bestuurder X terecht aansprakelijk is gesteld voor de door de vennootschap verschuldigde maar onbetaald gebleven omzetbelasting. X heeft namens de vennootschap opzettelijk onjuiste BTW-aangiften ingediend.

X, bestuurder van een vennootschap, wordt door de ontvanger aansprakelijk gesteld voor de door die vennootschap verschuldigde maar onbetaald gebleven omzetbelasting. In hoger beroep in geschil of X terecht aansprakelijk is gesteld en of X recht heeft op een vergoeding van immateriële schade.

Volgens Hof Amsterdam is X terecht en voor de juiste bedragen aansprakelijk gesteld voor de in te vorderen bedragen die verband houden met de omzetbelasting waarvoor de aansprakelijkheid geldt. X verklaart (ook) op de zitting van het hof dat de vennootschap (door X in zijn hoedanigheid van bestuurder van de vennootschap) bewust te lage aangiften omzetbelasting indiende. Er werden slechts aangiften omzetbelasting gedaan voor zover de liquiditeit van de vennootschap betaling daarvan op dat moment toeliet. Dit resulteerde in te lage betaling van omzetbelasting op aangifte. Later werden dan suppleties ingediend, echter zonder voldoening van de daarin opgegeven materieel verschuldigde omzetbelasting. Er zijn dus opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting ingediend. Er kan dan geen rechtsgeldige melding van betalingsonmacht worden gedaan. Het hoger beroep tegen de aansprakelijkstelling is ongegrond. X krijgt wel immateriële schadevergoeding toegekend vanwege overschrijding van de redelijke termijn in de hoger beroepsfase.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 6

Invorderingswet 1990 36

Informatiesoort: VN Vandaag

Rubriek: Invordering, Fiscaal bestuurs(proces)recht

Instantie: Hof Amsterdam

Editie: 8 januari

8

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen