Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat het forfaitaire stelsel van box 3 als zodanig niet in strijd is met art. 1 EP EVRM. Het hof verwijst daarbij onder andere naar de jurisprudentie van de Hoge Raad.

X en zijn vrouw beschikken in 2015 over ruim € 340.000 aan bank- en spaartegoeden en beleggingen. Zij realiseren hiermee een opbrengst van € 3859. De box 3-heffing hierover bedraagt € 3608. X stelt dat er sprake is van een buitensporig zware last, omdat het door de wetgever veronderstelde rendement van 4% voor een lange reeks van jaren niet meer haalbaar is op risicoarme beleggingen.

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat het forfaitaire stelsel van box 3 als zodanig niet in strijd is met art. 1 EP EVRM. Het hof verwijst daarbij onder andere naar het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2016, nr. 14/05020, (V-N 2016/31.12). Vervolgens wijst het hof er op dat er volgens de Hoge Raad pas dan sprake is van strijd met art. 1 EP EVRM, wanneer de wetgever zou blijven uitgaan van het forfaitaire rendement, terwijl het door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van 4% voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is. Daar is volgens het hof geen sprake van aangezien de wetgever het forfait per 1 januari 2017 heeft aangepast. Ook is er volgens het hof geen sprake van een individuele buitensporige last.

Lees ook het thema Box 3

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet inkomstenbelasting 2001 5.2

Informatiesoort: VN Vandaag

Rubriek: Inkomstenbelasting

Instantie: Hof Arnhem-Leeuwarden

Editie: 12 april

3

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen