X werkt als verzorgende en verleent thuiszorg in natura, voornamelijk via bemiddelingsbureaus. Daarnaast heeft X een cliënt die hem betaalt uit een PGB. X doet aangifte IB/PVV 2019 en 2020 geeft een resultaat uit overige werkzaamheden op. Eind 2023 ontvangt de inspecteur informatie over de inkomsten van X. Uit bankgegevens blijkt dat X aanzienlijk meer inkomsten ontvangt dan hij aangeeft. De inspecteur legt navorderingsaanslagen op.
Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat X niet de vereiste aangiften doet, waardoor omkering en verzwaring van de bewijslast geldt. De schatting van de inspecteur op basis van bankgegevens is redelijk. Alleen voor 2019 neemt de rechtbank € 4700 aan loonkosten voor werkzaamheden van zijn zoon als aftrekbare kosten in aanmerking, waardoor de navorderingsaanslag vermindert. Voor het overige voldoet X niet aan zijn verzwaarde bewijslast. Verder oordeelt de rechtbank dat geen sprake is van winst uit onderneming, omdat X zonder tussenkomst van een zorgaanbieder geen diensten tegen betaling kan verrichten. De inkomsten zijn daarom terecht aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden. De navorderingsaanslag 2020 blijft in stand.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.90
Instantie: Rechtbank Noord-Nederland
Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 9 juli
Informatiesoort: VN Vandaag