Erflaatster was met X gehuwd buiten elke gemeenschap van goederen. In 2010 is in de huwelijkse voorwaarden opgenomen dat, indien het huwelijk eindigt door overlijden, wordt afgerekend tussen hen alsof een algehele gemeenschap van goederen heeft bestaan (het finaal wederkerig verrekenbeding). Drie weken voor het overlijden van erflaatster op 22 juli 2020 is het verrekenbeding ingetrokken. De inspecteur nam aanvankelijk het standpunt in dat hierdoor sprake was van een schenking aan X. In bezwaar is de aanslag schenkbelasting volledig vernietigd en is de aanslag erfbelasting verminderd omdat het schrappen van het verrekenbeding in het zicht van overlijden op dit moment niet wordt gezien als een schenking. In geschil is of de aanslag erfbelasting tijdig is opgelegd en of X recht heeft op integrale vergoeding van bezwaarkosten (ruim € 100.000) in plaats van de forfaitaire € 624.
Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de aanslag erfbelasting tijdig is opgelegd. X heeft in september 2021 een mededeling ontvangen waarin staat dat uitstel is verleend om de aangifte vóór 22 augustus 2021 in te leveren. Deze brief is aan te merken als bekendmaking van het verleende uitstel (zie HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9336, V-N 2007/33.6). Er is geen sprake van onzorgvuldig handelen door de inspecteur. Dat de aanslag schenkbelasting na bezwaar is vernietigd, leidt op zichzelf bezien niet tot het oordeel dat de inspecteur tegen beter weten in de aanslagen heeft vastgesteld. De inspecteur heeft zijn standpunt om beleidsmatige redenen herzien omdat hij op enig moment heeft gesignaleerd dat de notariële praktijk zich niet bewust was van het feit dat het opheffen van een finaal verrekenbeding een voltooide vermogensverschuiving en derhalve een schenking kan inhouden. Het beroep is ongegrond.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 7.15
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 11
Instantie: Rechtbank Noord-Holland
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Schenk- en erfbelasting
Editie: 9 juli
Informatiesoort: VN Vandaag