Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat mevrouw X niet aannemelijk maakt dat de auto met het Duitse kenteken haar later dan vanaf 26 februari 2016 of haar in een tussentijds tijdvak niet in Nederland ter beschikking heeft gestaan.

Mevrouw X woont officieel in Nederland als zij op 28 september 2018 een personenauto met Duits kenteken op de Nederlandse weg bestuurt. In geschil is de naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting over 26 februari 2016 tot en met 27 september 2018, alsmede de 100% verzuimboete van € 2341. 26 februari 2016 is de dag waarop de auto op naam van de eigenaar is gesteld. Volgens X had zij de auto slechts eenmalig van haar Duitse vriendin geleend.

Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat X niet aannemelijk maakt dat de auto haar later dan vanaf 26 februari 2016 of haar in een tussentijds tijdvak niet in Nederland ter beschikking heeft gestaan. Er is door X namelijk geen objectief bewijs geleverd, zoals tankbonnen, garagenota’s en parkeerbonnen, waaruit blijkt dat de auto feitelijk ter beschikking stond aan de vriendin in Duitsland. De boete is ook passend en geboden. De stelling van X dat zij de boete niet kan betalen, is namelijk niet onderbouwd. Het beroep van X is ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 37

Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 34

Instantie: Rechtbank Noord-Holland

Rubriek: Belastingheffing van motorrijtuigen

Editie: 14 april

Informatiesoort: VN Vandaag

  344
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen