X ontvangt in 2017 BPM-exportteruggaven voor zeven auto's. Alle auto's krijgen in dat kader een Duits kenteken. Naderhand constateert de inspecteur op basis van Douanegegevens dat de auto's uiteindelijk naar Kosovo (auto 7), Tunesië (auto 5) en Oekraïne zijn getransporteerd. In geschil is de naheffingsaanslag van € 7645, omdat de gang van zaken volgens de inspecteur duidelijk in strijd is met doel en strekking van art. 14a Wet BPM 1992.
Rechtbank Gelderland oordeelt dat alleen voor één auto terecht BPM is nageheven, omdat deze buiten de EU is geëxporteerd nog voordat de registratie in Duitsland inging. Voor de overige auto's wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor teruggaaf van BPM. Het korte tijdsverloop waarin deze auto's na de Duitse registratie buiten de EU zijn gebracht, is niet van belang (zie Hof Arnhem-Leeuwarden 17 maart 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1651, V-N Vandaag 2026/588). Het beroep is gegrond, zodat X een proceskostenvergoeding krijgt van € 3243,92.
Wetingang:
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 artikel 14A
Instantie: Rechtbank Gelderland
Rubriek: Belastingheffing van motorrijtuigen
Editie: 20 augustus
Informatiesoort: VN Vandaag