X exploiteert een onderneming op het gebied van makelaardij in top spring- en dressuurpaarden. Nadat de inspecteur de IB-aanslag 2022 conform de aangifte heeft opgelegd, produceert X een factuur van € 82.000 van Y BV. X wil dit bedrag als kosten in mindering op zijn winst brengen. Hij stelt daarbij dat de kosten zijn gemaakt voor marktonderzoek met als doel om inzicht te verkrijgen in het topsegment van de paardenhandel in bepaalde landen. De inspecteur acht de kosten niet aftrekbaar.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X het bedrag van € 82.000 voor het marktonderzoek niet in aftrek kan brengen. Volgens de rechtbank is het namelijk niet aannemelijk dat dit een vergoeding betreft voor diensten die door Y BV zijn verleend aan de onderneming van X. De rechtbank overweegt daarbij dat de, forse, factuur niet was opgenomen in de boekhouding die X aan zijn boekhouder heeft verstrekt. Verder wijst de rechtbank op de inconsistente verklaringen die X heeft afgelegd over de factuur. Daarbij is ook van belang dat nergens melding wordt gemaakt van de activiteiten van Y BV en waarom het op de factuur vermelde bedrag aftrekbaar zou zijn. Een en ander onderbouwt niet dat de factuur betrekking heeft op door Y BV voor de onderneming van X verrichte diensten. De rechtbank merkt uiteindelijk ook nog op dat Y BV niet actief is in de paardenhandel, maar in de projectontwikkeling, en dat A, voormalig topruiter en de directeur van Y BV, en X elkaar al ruim 20 jaar kennen. Het gelijk is aan de inspecteur.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.8
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Inkomstenbelasting
Editie: 20 augustus
Informatiesoort: VN Vandaag