Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat X geen proceskostenvergoeding krijgt. De noodzaak tot het instellen van beroep vloeit uitsluitend voort uit de handelswijze van X.

X werkt in 2012 op de Rijnvaart. In 2018 verzoekt hij om ambtshalve vermindering van zijn aanslag over 2012 door alsnog vrijstelling premie volksverzekeringen te claimen. Op X is namelijk voor dat jaar het Luxemburgs sociaal verzekeringsrecht van toepassing verklaard. Aanvankelijk wordt het verzoek geheel afgewezen, omdat de inspecteur nog niet weet dat de SVB op 29 maart 2019 akkoord is gegaan met een regularisatieovereenkomst (art. 13 Rijnvaartverdrag) voor X tot en met 31 mei 2012. Tussen partijen is niet in geschil dat aan het beroep het belang is ontvallen, omdat verweerder de aanslag IB/PVV 2012 en de beschikking belastingrente tot nihil heeft verminderd. Alleen de proceskostenvergoeding is in geschil.

Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat X geen proceskostenvergoeding krijgt. Nu X de inspecteur niet op de hoogte heeft gesteld van de beslissing van de SVB over de regularisatie is er volgens de rechtbank geen sprake van een aan de inspecteur  te verwijten onrechtmatigheid. Uitgaande van de informatie waarover de inspecteur beschikte, was het afwijzende besluit over de ambtshalve vermindering niet onrechtmatig en krijgt X geen proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase. Voor een proceskostenvergoeding in de beroepsfase ziet de rechtbank ook geen aanleiding, omdat de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeit uit de handelswijze van X. Als X de beslissing van de SVB van 29 maart 2019 aan de inspecteur had gegeven, was het instellen van beroep niet nodig geweest. Het beroep van X is ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Algemene wet bestuursrecht 8:75

Algemene wet bestuursrecht 7:15

Informatiesoort: VN Vandaag

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Instantie: Rechtbank Noord-Nederland

Editie: 22 oktober

5

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen