Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat X bv niet aannemelijk maakt dat bij haar de overheersende bedoeling bestond om het L-perceel duurzaam in haar onderneming te exploiteren. Het L-perceel is dan niet aan te merken als een bedrijfsmiddel.

E houdt de aandelen in belanghebbende, X bv. E is in de jaren 1996-2009 betrokken bij diverse grondtransacties. In 2003 sluit E een vaststellingsovereenkomst met de inspecteur. Hierbij wordt overeengekomen dat een perceel grond (L) per 1 januari 2003 in X bv wordt ingebracht en dat de resultaten met betrekking tot het perceel voor rekening van X bv komen. X bv behaalt in 2006 en 2007 winsten in verband met leveringen van diverse tranches van het L-perceel. De hierbij behaalde winsten verantwoordt X bv niet, omdat zij van mening is dat de winsten in een HIR kunnen worden ondergebracht. De inspecteur corrigeert de aangiften.

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat X bv niet aannemelijk maakt dat bij haar de overheersende bedoeling bestond om het L-perceel duurzaam in haar onderneming te exploiteren. Volgens het hof is het L-perceel dan ook niet aan te merken als een bedrijfsmiddel. Verder wijst het hof op de korte tijdsspanne tussen het moment van inbreng van het L-perceel per 1 januari 2003 en de verkoop van het perceel op 2 oktober 2003. Dit duidt er volgens het hof eerder op dat het L-perceel door X bv was bedoeld voor de omzet. Het gelijk is aan de inspecteur.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet inkomstenbelasting 2001 3.54

Wet op de vennootschapsbelasting 1969 8

Informatiesoort: VN Vandaag

Rubriek: Inkomstenbelasting, Vennootschapsbelasting

Instantie: Hof Arnhem-Leeuwarden

Editie: 5 februari

2

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen