Rechtbank Gelderland oordeelt dat de activiteiten van X VOF in 2019 geen bron van inkomen vormen. De verliezen in 2019 en de jaren ervoor zijn groot en de vaste kostenposten zijn in 2019 nog zodanig hoog dat zij de opbrengsten ruim overtreffen.

X en zijn twee zonen zijn de vennoten van A VOF, dat een pandjeshuis exploiteert. Tot 2022 worden verliezen geleden van circa € 100.000 gemiddeld per jaar. De vaste kosten, waaronder rentelasten op een gelieerde lening van € 911.321, overtreffen de opbrengsten ruim. Vanaf 2022 worden zeer bescheiden winsten behaald. In zijn IB-aangifte 2019 verantwoordt X een verlies van € 40.000. De inspecteur is van mening dat er geen sprake is van een bron van inkomen en accepteert het opgevoerde verlies niet. Daarbij is ook van belang dat X reeds voor de jaren 2015 - 2017 over deze kwestie tot aan de Hoge Raad heeft geprocedeerd, en in het ongelijk is gesteld. In een uitspraak van 17 juni 2025 over het jaar 2018 heeft Hof Arnhem-Leeuwarden (23/2776, ECLI:NL:GHARL:2025:3679) geoordeeld dat geen sprake is van een bron van inkomen.

Rechtbank Gelderland oordeelt dat de activiteiten van X VOF in 2019 geen bron van inkomen vormen. De verliezen in 2019 en de jaren ervoor zijn groot en de vaste kostenposten zijn in 2019 nog zodanig hoog dat zij de opbrengsten ruim overtreffen. Objectief gezien valt in 2019 daarom geen voordeel te verwachten. De beperkte positieve resultaten vanaf 2022 maken dit niet anders, nu de feiten en omstandigheden uit die jaren zodanig onduidelijk zijn dat zij geen ander licht werpen op de vraag of voor 2019 sprake is van objectieve voordeelsverwachting. De inspecteur neemt het verlies terecht niet in aanmerking.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.8

Instantie: Rechtbank Gelderland

Rubriek: Inkomstenbelasting

Editie: 9 oktober

Informatiesoort: VN Vandaag

29

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen