Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat het in 2016 betaalde bedrag van € 151.000 in 2016 tot het inkomen uit werk en woning van X moet worden gerekend. Het in 2017 betaalde bedrag van € 1,8 mln is echter ten onrechte in 2017 in aanmerking genomen.

X woont en werkt in het Verenigd Koninkrijk van 2002 tot april 2011. In die periode zijn aan hem bepaalde rechten toegekend door zijn voormalige werkgever, A PLC. Vanaf 1 april 2011 woont en werkt X in Nederland. De aandelen in A PLC worden gehouden door B. In 2016 worden de aandelen in A PLC verkocht door B. In verband met de aan X verleende rechten komen A PLC, X en C, de Chairman van A PLC, in 2017 overeen dat een bedrag van € 1,8 mln aan X wordt uitgekeerd. De inspecteur neemt het bedrag van € 1,8 mln in 2017 in aanmerking als loon uit dienstbetrekking van X. Daarnaast neemt hij dit bedrag van € 1,8 mln, ter behoud van rechten, ook in 2016 in aanmerking als loon, naast een bedrag van € 151.000 dat X in 2016 heeft ontvangen. Rechtbank Gelderland oordeelt dat de inspecteur de bedragen van € 151.000 en € 1,8 mln terecht als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking in aanmerking heeft genomen. De stelling van X dat deze bedragen reeds eerder vorderbaar en inbaar waren faalt.

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de betaling van € 151.000 in 2016 terecht tot het inkomen uit werk en woning is gerekend, omdat niet is bewezen dat X een onvoorwaardelijk recht op aandelen had verkregen. De betaling van € 1,8 mln in 2017 is volgens het hof echter ten onrechte belast. Die betaling houdt verband met een reeds tussen 2003 en 2005 onvoorwaardelijk verkregen recht op 3% van de aandelen in A PLC. Het daarmee behaalde voordeel had daarom al in die jaren in aanmerking moeten worden genomen. Dat de aandelen destijds niet zijn geleverd, doet daar volgens het hof, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 20 juni 2016 (ECLI:NL:HR:2014:1463, V-N 2014/31.18)

niet aan af. Uit de afspraken tussen X en A PLC kan namelijk niet worden afgeleid dat levering niet zou kunnen worden afgedwongen.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet op de loonbelasting 1964 artikel 10

Wet op de loonbelasting 1964 artikel 13A

Wet op de loonbelasting 1964 artikel 10A

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.81

Instantie: Hof Arnhem-Leeuwarden

Rubriek: Loonbelasting

Editie: 9 oktober

Informatiesoort: VN Vandaag

Focus: Focus

66

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen