Op 13 mei 2026 is het Rapport 'Onderzoek 30-jaarstermijn Hypotheekrenteaftrek' van het Ministerie van Financiën verschenen. Dit rapport brengt de problematiek rondom de 30-jaarstermijn en de gevolgen hiervan voor de hypotheekrenteaftrek in beeld en presenteert verschillende  oplossingsrichtingen.

Edwin Heithuis is hierop ingegaan in Taxlive op 15 mei 2026 met de veelzeggende titel ‘Er is geen 30-jaarsprobleem met de hypotheekrenteaftrek!’. Heithuis spreekt in zijn column terecht zijn verwondering uit over het feit dat in het aangehaalde rapport geen aandacht wordt geschonken aan de invoering van de Wet Werkelijk Rendement (WWR) per 2028. Zoals Heithuis schrijft, is in de nieuwe box 3 alle rente aftrekbaar. En als een eigenwoningschuld langer loopt dan 30 jaar, voldoet deze niet meer aan de voorwaarden van box 1 en verhuist deze op grond van art. 2.14 lid 3 sub a Wet IB 2001 naar box 3. De constatering van Heithuis, zoals ook aangegeven in het rapport, is dan ook dat de hypotheekrente nog steeds aftrekbaar is, maar dan in box 3. Maar daar zit dan ook de crux! Is dit gewenst? 

In de Eerste-Kamerbehandeling is dit inmiddels ook aan de orde gekomen. In de Nota naar aanleiding van het tweede verslag (Kamerstukken I, 36 748, H) geeft de staatssecretaris aan dat:

"alle schulden die niet in box 1 of box 2 in aanmerking worden genomen, kwalificeren als een box 3-schuld. Dat is op dit moment al zo en het nieuwe stelsel brengt daar geen verandering in. Er wordt in box 3 geen onderscheid gemaakt op basis van de feitelijke aanwending van de geleende middelen. Dit geldt ook voor rente van een schuld voor een eigen woning waarvoor na 2031 al 30 jaar aftrek is genoten in box 1 of die is aangegaan na 1 januari 2013 en die niet aan de aflossingseis voldoet. Als er wel onderscheid zou worden gemaakt tussen verschillende soorten schulden, dan zou dit het stelsel aanzienlijk complexer maken voor zowel de belastingplichtige als de Belastingdienst en veelvuldig discussies en afbakeningsvraagstukken oproepen over de toewijzing van schulden."

Om effectief ook gebruik te kunnen maken van de aftrek in box 3 moet de belastingplichtige wel vermogen hebben. Voor veel belastingplichtigen is dat niet het geval, terwijl zij wel een eigen woning (kunnen) hebben. Zij hebben feitelijk niets aan deze aftrek. Heithuis constateert dat ook en doet enige suggesties om dit op te lossen. 

De vraag die ik me dus stel is of het überhaupt wel gewenst is dat de rangorderegeling zo uitpakt en dat eigenwoningschulden die niet kwalificeren in box 1 in box 3 aftrekbaar zijn. 

De wetgever heeft sinds 2001 de hypotheekrenteaftrek beperkt. Ik noem onder meer de volgende wettelijke regelingen:

  • 2001: maximale renteaftrekperiode 30 jaar,
  • 2004: invoering van de bijleenregeling,
  • 2013: verplichte annuïtaire aflossing met allerlei aanpalende wetgeving.

Maar ook staat de Wet IB 2001 in art. 3.119a bijvoorbeeld geen renteaftrek toe voor schulden die ontstaan door de verwerving van een eigen woning van de partner, voor zover dat tot een hogere schuld leidt.

De vraag komt op of met de invoering van de WWR er, nog veel meer dan onder de huidige wetgeving, een keuzemogelijkheid ontstaat voor vermogende belastingplichtigen: de ‘eigenwoningschuld’ in box 1 of box 3? Waarom nog een dure annuïtaire eigenwoningschuld als de rente van een aflossingsvrije lening in box 3 ook aftrekbaar is? 30-jaarsperiode: geen noodzaak meer. Rente over schulden om (eigenwoning)rente te betalen is gewoon in box 3 aftrekbaar. En zo kan ik het lijstje nog veel langer maken.

Met andere woorden, we hebben niet alleen met een 30-jaarsprobleem te maken, maar box 3 nu, en zeker in de toekomstige vorm, leidt tot fiscale vraagstukken en feitelijk tot een herijking van de gedachtevorming rond de fiscale behandeling van de eigen woning. 

Want leidt de WWR ertoe dat, in ieder geval bij vermogenden, de doelstellingen van de wetgever niet meer gelden? We willen toch juist dat eigenwoningschulden worden afgelost? Het is toch gewenst dat de overwaarde van een woning wordt geïnvesteerd in een nieuwe woning? We willen het fiscale voordeel rondom de eigen woning toch beperken tot 30 jaar? 

Naar mijn mening zijn dit vragen die de wetgever wel moet beantwoorden. Het is toch niet denkbaar dat je in box 1 allerlei beperkingen aanbrengt, die in box 3 blijkbaar niet gelden, waarvan de happy few dan gebruik kunnen maken. Met andere woorden, zijn de hiervoor genoemde fiscale gevolgen wel gewenst? Het antwoord van de staatssecretaris in de Eerste Kamer is wat mij betreft wat te eenvoudig. Het verschil tussen arm en rijk wordt hierdoor alleen maar groter. Volgens mij totaal ongewenst. En we blijven zitten met het ondoordringbare woud (voor zowel belastingplichtigen als Belastingdienst) van fiscale regels rondom de eigen woning. Ook ongewenst.

Overigens blijft het dan ook zo dat bepaald moet worden of een eigenwoningschuld in box 1 of 3 zit. Dus ook dan blijft het relevant of de 30-jaarsperiode is verstreken en juist dat kunnen we niet of nauwelijks controleren. 

Kortom, we moeten nu nadenken over de (toekomstige) fiscale begeleiding van de eigen woning. Dit duldt geen uitstel en kan politiek niet worden doorgeschoven. Het huidige systeem is veel te complex en met de invoering van de Wet Werkelijk Rendement wordt dit niet opgelost. Integendeel, het leidt tot, in mijn ogen, totaal ongewenste fiscale gevolgen.  

Rubriek: Inkomstenbelasting

Informatiesoort: Column

35

Gerelateerde artikelen